Deze
proef moet je met twee personen doen.
Gebruikt
voor de proef een passer met twee punten (een
tastpasser).
Onderzoek
verschillende huidgedeeltes:
vingertop,
bovenkant onderarm,
onderkant onderarm,
handpalm,
wang.
Je
kunt natuurlijk zelf nog andere huidgedeelten
bedenken.
- Zet
steeds voorzichtig twee punten op een
gedeelte van de huid van de
proefpersoon.
Laat de proefpersoon zeggen of hij/zij
één of twee punten
voelt.
Als de proefpersoon maar één
punt voelt, maak dan de afstand tussen de
passerpunten een beetje groter.
Als de proefpersoon twee punten voelt,
maak je de afstand een beetje kleiner.
Ter controle kun je af en toe
één passerpunt op de huid
zetten.
- Ga
door tot je precies bepaald hebt wat de
kleinste afstand is waarbij j de
proefpersoon nog net twee punten voelt.
Noteer die afstand in een
tabel.
|
deel
van de huid
|
minimale
afstand waarbij nog twee punten
gevoeld worden in mm
|
gevoeligheid
|
|
vingertop
|
.
|
.
|
|
bovenkant
onderarm
|
.
|
.
|
|
onderkant
onderarm
|
.
|
.
|
|
handpalm
|
.
|
.
|
|
wang
|
.
|
.
|
Hoe
groter de afstand is tussen twee punten
waarin je niets waarneemt, hoe minder
tastzintuigjes daar zitten en hoe minder
gevoelig dat gedeelte van de huid is voor
aanraking.
Geef
met de cijfers 1 t/m 6 aan welk lichaamsdeel
het gevoeligst is (1), welk minder gevoelig
(6), enz.
Op
welk huidgedeelte liggen de tastzintuigjes
het dichts bij elkaar?