[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Cellen

studiewijzer 4.1 (4 atheneum)

Antwoorden studiewijzer

Inhoud

1. Microscoop
2.
Cellen
3.
Opname en afgifte van stoffen
4.
Bacteriën en virussen
5.
Celdeling
6.
Ontwikkeling van cellen
7.
Fouten en wildgroei

1.Microscoop

  1. -
  2. -
  3. 1 µm = 10 -4 cm of 1 cm = 104 µm
    een plantencel is maximaal 100 µm en minimaal 10 µm
    In één centimeter kunnen dus ongeveer 100 tot 1000 cellen
  4. een bacterie is maximaal 10 µm en minimaal 1µm.
    In één centimeter kunnen dus ongeveer 1000 tot 10.000 bacteriën.
  5. een virus is ongeveer 100 nm ( er zijn nog veel kleinere virussen)
    1 nm = 10 -7 cm of 1 cm = 10 7 nm
    Er kunnen dus ongeveer 100.000 virussen in een centimeter


    2. Cellen

  6. -
  7. met lichtmicroscoop
    met electronenmicroscoop
    kern
    mitochondriën
    chloroplasten
    ribosomen

     

    endoplasmatisch reticulum

     

    lysosomen

     

    golgi-apparaat

  8.  

    kenmerk

    functie

    plant/ dier / bacterie

    stippel

    opening in celwand plant

    transport

    pl

    intercellulaire ruimte

    ruimte tussen twee cellen

    transport

    pl

    kernmembraan

    vlies rond kern

    transport

    pl/d/b

    celwand

    dode wand dik

    stevigheid

    pl/b

    middenlamel

    laagje in celwand

    verbindt celwanden

    pl

    golgiapparaat

    stapel blazen

    productie stoffen

    pl/d

    kern

    grootste organel

    regelt alles in cel

    pl/d

    kernlichaampje

    bolletje in kern

    maakt ribosomen

    pl/d

    lysosoom

    blaasje met membraan

    opslag verteringsenzymen

    pl/d

    endopl.reticulum

    dunne buisjes
    soms met ribosomen

    transport

    pl/d

    mitochondrion

    ovaal met schotjes

    energievoorziening

    pl/d

    ribosomen

    zeer klein

    maken eiwit

    pl/d/b

    vacuole

    blaas met vocht

    opslag water enz.

    pl(d)

    chloroplast

    bevat bladgroen,groot

    maken suiker en zetmeel

    pl

    leucoplast

    kleurloos groot

    opslag zetmeel

    pl

    grondplasma

    vloeistof in cel

     

    pl/d/b

  9.  

     

    plant

    dier

    bacterie

    celwand

    +

    -

    +

    plastiden(bladgroenkorrels en zetmeelkorrels

    +

    -

    -

    celmembraan

    +

    +

    +

    grote vacuole

    +

    -

    -

    ribosomen

    +

    +

    +

    organellen

    +

    +

    -


  10. Het golgi-apparaat bestaat uit een soort platte blazen, waarin allerlei stoffen worden gemaakt (bijvoorbeeld slijm). Die blazen zijn omgeven door membranen. Membranen zijn een soort vloeibare wandjes. Ze bestaan uit vetten.
    Stukjes van de membranen kunnen afsnoeren en vormen dan een soort blaasjes gevuld met een beetje stof uit het golgi-apparaat. Deze blaasjes verplaatsen naar de celmembraan de membraan van zo’n blaasje vloeit samen met de celmembraan en de inhoud stroomt de cel uit.

  11. De ribosomen maken eiwitten. Veel van die eiwitten zijn enzymen. Enzymen zijn eiwitten die allerlei processen in de cel regelen. Sommige van die enzymen komen via het Golgi-apparaat in de lysosomen. Ze worden daarin opgeslagen omdat ze anders stoffen in de cel gaan afbreken.|Het golgi-apparaat maakt ook stoffen die de cel uit gaan (zie vraag 10) bijvoorbeeld slijm.

  12. a. Fagocytose betekent letterlijk vreten met de hele cel.

    Er zijn ééncellige beestjes (amoeben spreek uit ameuben) die bacteriën en andere ééncelligen eten door er met de cel membraan een blaasje om te vormen. Het blaasje snoert af en het voedsel zit in de amoebe.

    De witte bloedcellen in ons lichaam vreten ook op deze manier bacteriën op.

    animatie fagocyt macrofagen

    b.Cellen kunnen vloeistoffen opnemen door middel van een blaasje. Dat noemt men pinocytose.

  13. houten vloeren, meubels
    papier (cellulose)
    kutk
    katoenen en linnen kleding

  14. hydrofiel: de de fofsorgroepen
    hydrofoob: de vergroepen

  15. cel afscheiden van de omgeving
    transport van stoffen de cel in en uit:
    water en voedingsstoffen de cel in
    water en afvalstoffen de cel uit
    signalen naar de cel doorgeven

  16. Het celskelet bestaat uit microtubuli
    Dat zijn dunne buisjes. Ze zorgen ervoor dat de vorm van de cel gehandhaafd blijft.

  17. voor transport van stoffen door de celmembraan
    als receptor (=ontvanger) van signaalstoffen

  18. a. glucose
    b. Koolstofdioxide (CO2) en water
    c. leveren van energie voor de cellen
    d. Energie is lastig te bewaren en lastig te vervoeren. Daarom wordt de energie vastgelegd in de stof ATP. Deze stof zit overal in de cel. Als ergens energie nodig is dan wordt van ATP weer ADP gemaakt en de energie komt vrij om gebruikt te worden voor allerlei processen.




    Energie is moeilijk op te slaan.
    Cellen halen hun energie vooral uit de verbranding van glucose in de mitochondriën.
    De verbranding is een ingewikkeld proces waarvoor enkele tientallen enzymen nodig zijn.
    Om energie tijdelijk op te slaan en te vervoeren wordt de energie in de stof ATP gestopt.
    Aan ADP wordt een extra fosfaat geplakt. De energie die daarvoor nodig is zit in een zogenaamde energierijke binding.
    De ATP met de daarin opgeslagen energie zit overal in de cel. Zodra ergens energie nodig is wordt de fosfaatgroep weer losgemaakt. De ADP en fosfaat gaaan door diffusie weer naar de mitochondriën en kunnen weer omgezet worden in ATP.


  19. Celwand plant:
    a. dik en sterk goed met lichtmicroscoop te zien
    b. grote openingen (volledig doorlaatbaar) alle moleculen stoffen kunnen erdoor
    c. eenvoudig, leeft niet
    d. cellulose houtstof

    Celmembraan
    a. zeer dun erg kwetsbaar..
    b. halfdoorlaatbaar: kleine moleculen kunnen erdoor (bijvoorbeeld water) - selectief permeabel
    c. zeer ingewikkeld , leeft
    d. fosfolipiden en eiwitten

  20. chloroplasten (bladgroenkorrels) --> fotosynthese
    kleurstofkorrels --> kleur geven aan vruchten voor de zaaderspreiding
    leukoplasten --> opslag van voedsel (amyloplasten)


    3. Opname en afgifte van stoffen

  21. -
  22. uit fosfolipiden met daartussen eiwitmoleculen.

  23. Door de receptoren is de cel herkenbaar voor zijn omgeving en kan de cel ook informatie ontvangen

  24. Cellen krijgen informatie via signaalstoffen (hormonen). Voor ieder signaalstof is een andere receptor nodig. Niet alle cellen moeten op dezelfde signaalstoffen reageren en dus hebben niet alle cellen dezelfde receptoren.

  25. Door actief transport kan de cel zelf bepalen welke stoffen wel en welke niet opgenomen/afgegeven worden. Het kost de cel altijd energie.

  26. Passief transport gaat d.m.v. diffusie. Voor passieftransport moeter altijd een concentratieverschil aanwezig zijn. Passief transport kost de cel geen energie.
    Actief transport kan op verschillende manieren. Er hoef geen concentratieverschil te zijn. Actief transport kan ook egen het concentratieverval in gebeuren. Het kost altijd energie.

  27. zuurstof, koolstofdioxide en water (in het algemeen: kleine en ongeladen deeltjes)

  28. stoffen met grote(re) moleculen en stoffen die uit geladen deeltjes (ionen) bestaan. Dat laatste is o.a. het geval bij zouten (bijv. NaCl en KNO3).

  29. watermoleculen zijn klein en ongeladen. ze kunnen daardoor passief de celmembraan passeren.
    suiker is een veel groter molecuul

  30. een membraan is een dun vlies dat een afscheiding vormt tussen twee ruimtes.

    een selectief permeabel (semipermeabel) membraan is gedeeltelijk doorlaatbaar. Sommige stoffen worden wel doorgelaten, andere niet.

  31. -
  32. diffusie is het gelijkmatig verdelen in de ruimte van moleculen in een vloeistof en een gas door de beweging van de moleculen zelf.

  33. osmose is diffusie door een halfdoorlaatbare wand (een membraan waar grote moleculen niet en kleine moleculen wel door kunnen.

  34. a. Het water gaar van ruimte A naar ruimte B.
    b. De concentratie suiker in ruimte A wordt groter.
    c. de concentratie suiker in ruimte B wordt kleiner.
    d. De osmotische druk in ruimte A wordt kleiner
    e. De osmotische druk in ruimte B wordt groter.

  35. animatie celmembraan
    a, via transporteiwitten
    b.Actief transport is als het de cel energie kost om de moleculen door de membraan te krijgen.
    De energie komt uit de mitochondriën van de verbranding van suiker en wordt in de vorm van
    ATP naar de plaats gebracht waar het nodig is.

  36. Endocytose en exocytose gebeurt door afsnoering van stukjes membraan.

  37. -
  38. plasmolyse is het krimpen van de plantencel door het verlies aan water, waardoor de celmembraan losraakt van de celwand.
    Turgor is de druk die de celinhoud op de celwand uitoefent

  39. Het celplasma van zeediertjes heeft ongeveer dezelfde concentratie zouten en grote moleculen als het zeewater. De cellen zullen in zee dus niet te veel water op te nemen.

    Algen hebben een celwand die ervoor zorgt dat de cel niet uit elkaar barst.


    4. Bacteriën en virussen

  40. -
  41.  

    dier

    bacterie

    kern

    +
    -

    endoplasmatisch reticulim

    +
    -

    mitochondriën

    +
    -

    plastiden

    -
    -

    voedingswijze

    heterotroof

    autotroof of heterotroof

    grootte

    10 - 100 µm

    1 - 10 µm



  42. In dierlijke cellen zit het DNA in de kern. Het DNA is dus omgeven door een membraan.
    Bij bacteriën zit geen membraan om het DNA. Een bacterie heeft ringvormig DNA in het cytoplasma. Daarnaast heeft een bacterie ook kleine stukjes DNA (plasmiden).

  43. -

  44. Een virus bestaat alleen uit DNA (of RNA) met een eiwitmantel er omheen. Het heeft geen eigen stofwisseling en kan zich zonder de hulp van andere cellen niet voortplanten.

  45. Een virus kan andere cellen binnendringen. De celorganellen van de gastheercel worden dan door het virus gebruikt en er worden nieuwe virussen gemaakt.

  46. Het virus dringt een cel binnen. De eiwitmantel zorgt ervoor dat het virus een bepaalde gastheercel kan binnendringen.
    Het DNA (of RNA) stuurt de celorganellen van de gastheercel aan. deze vormen nieuwe virussen.
    Na verloop van tijd gaat de cel kapot en komen de niuewe virussen vrij.
    Zie
    bacteriofaag.


    5. Celdeling

    Mitose (animatie)
    Mitose afbeelding

  47.  -
  48. Een chromosoom is een DNA-molecuul dat gespiraliseerd is rond een soort skelet van eiwit.

  49. Tijdens de interfase zijn de DNA-moleculen zeer lang en zeer dun. Ze zijn dan met een normale microscoop niet goed zichtbaar. DNA-moleculen die spiraliseren worden veel korter en dikker en zijn dan als ze gekleurd worden wel met de microscoop te zien.

  50. Voordat de cel gaat delen verdubbelt het DNA. Ieder DNA-molecuul wordt gekopiëerd. De twee identieke stukken die met het centromeer aan elkaar zitten noemt men chromatiden.
    Voor de deling bestaat een chromosoom uit 2 chromatiden. Na de deling uit 1.
    Vanuit de centriolen groeien eiwitdraden waarmee de chromatiden uit elkaar getrokken worden.

  51. Het centromeer is de plaats waarop de chromatiden van één chromosoom bij elkaar zitten.

  52. Dieren en de meeste planten ontstaan uit een bevruchte eicel, de zygote.De zygote ontstaat door het samensmelten van de kern van de eicel met de kern van een zaadcel. In de zygote komen chromosomen voor in paren. De zogenaamde homologe chromosomen.Een organisme ontstaat uit de zygote door miljarden celdelingen. Alle kernen in de cellen van een mens zijn kopieën van de kern in de zygote.

  53. Zie Mitose afbeelding

  54. 5, 3, 1, 6, 2, 4, 7, 8
    1= interfase
    2= metafase
    3= profase
    4= anafase
    5 = interfase
    6 = (pro)metafase
    7= telofase
    8 = celdeling

    Tijdens de mitose deelt een cel in twee identieke dochtercellen die dezelfde en hetzelfde aantal chromosomen hebben als de moedercel . Daarna volgt plasma groei ---.> groei van een organisme

  55. 4 chromosomen
    Tijdens de de;ing bestaat ieder chromosoom uit 2 chromatiden. De chromatiden worden tijdens de anafase uit elkaar getrokken.


    6. Ontwikkeling van cellen

  56. -
  57. Deling van cellen ---> meer cellen en daarna uitgroei van de dochtercellen: vermeerdering van het cytoplasma met de celorganellen en bij planten daarna celstrekking)

  58. Gespecialiseerde cellen kunnen zich niet meer delen. Voor herstel blijven echter delende cellen nodig.

  59. a Tijdens de celdifferentiatie krijgen de cellen een bepaalde vorm en functie.
    b dekweefselcel (eptheelcel)
    zenuwcel
    zintuigcel
    spiercel
    kliercel
    beencel
    kraakbeencel
    bindweefselcel
    voortplantingscel (zaadcel, eicel)
    bloedcel (rode bloedcel, witte bloedcel)

  60. interfase

    G1-fase
    voorbereiding van de verdubbeling van het DNA (nucleotiden worden gemaakt)

    S-fase
    DNA wordt verdubbeld (synthese van DNA)

    G2-fase
    plasmagroei
    cel groeit uit tot juiste grootte
    membranen en andere celorganellen worden gemaakt

    delingsfase

    profase

    metafase

    anafase

    telofase

    celdeling


  61. Groei bij dieren:
    • celdeling
    • celgroei en celdifferentiatie (cellen krijgen bepaalde grootte en vorm die past bij het celtype
    • groei vindt plaats door het hele lichaam

      Groei bij planten (zie
      celstrekking):
    • celdeling
    • groei tot bepaalde grootte
    • celstrekking - opname van water, centrale vacuole wordt gevormd
    • lengtegroei alleen vanuit topmeristemen (in stengeltop en worteltop)
    • na de celstrekiking komt de celdifferentiatie, cel krijgt definitieve vorm
      in de stengel en wortel blijft in de stengel en wortel deelweefsel (cambium) zitten ---> alleen voor groei in de breedte (diktegroei)

  62. Mitose bij planten vooral in topmeristemen (deelweefsel in de worteltop en srengeltop) en in cambium ( deelweefsel tussen de houtvaten en bastvaten).
    Bij bomen en struiken vormt het cambium een ring tussen het hout en de bast.

  63. Huid
    De buitenste laag van de huid (hoornlaag) slijt voortdurend af. Vanuit de kiemlaag daar direct onder worden nieuwe huidcellen gevormd. De kiemlaag bevat dus delende cellen.

    Bloedcellen
    Rode bloedcellen hebben een beperkte levensduur (ze bevatten geen kern). Er moeten dus voordurend nieuwe rode bloedcellen aangemaakt worden. Dat gebeurt in het rode beenmerg van vooral de platte beenderen.

  64. In de cel zitten kleine vacuoles.
    De osmotische waarde van die vacuoles is groter dan die van de omgeving ---> er wordt water opgenomen.
    De primaire celwand is nog elastisch en kan daardoor rekken, maar er worden ook nieuwe cellulosemoleculen aan toegevoegd..
    De vacuoles worden groter en uiteindelijk ontstaat één grote vacuole.
    Na de strekking wordt de celwand stugger (en daardoor steviger) doordat er andere stoffen aan toegevoegd worden. Hij kan dan niet meer groeien.

  65. vooral in wprteltoppen en stengeltoppen, direct achter de delingszones.
    Maar ook in uitlopende knoppen vindt celstrekking plaats.

  66. Tussen het hout en de bast

  67. Cambium is deelweefsel
    Naar binnen toe ontstaan nieuwe houtvaten
    Naar buiten toe ontstaan nieuwe bastvaten


    7. Fouten en wildgroei

  68. -
  69. Bij de mitose kunnen fouten in het DNA ontstaan.
    Defecte cellen kunnen onschadelijk worden.gemaakt door het immuunsysteem. Foute cellen worden dan ontdekt door witte bloedcellen en gedood en opgeruimd
    Cellen kunnen ook zelf een eind aan hun leven maken (apoptose).
  70. Gedifferentieerde cellen herkrijgen hun delingsvermogen. Een cel gaat zich weer delen, terwijl dat nuet de bedoeling is. Er ontstaat dan een gewzwel (tumor).

    Als de celgroei niet beperkt blijft tot de plaats waar het is ontstaan, ,maar ook andere weefsel aan gaat tasten, spreekt men van kanker.

  71. door:
    UV-straling
    radioactieve straling
    virussen
    bacteriën
    chemische stoffen (carcinogene stoffen)
    erfelijke aanleg

  72. Een gen is een stukje DNA dat de informatie bevat voor het vormen van een eiwit. Een belangrijk deel van die eiwitten gaat werken als enzym. Alle processen in een organisme worden geregeld door enzymen. Voor iedere scheikundige reactie is een ander enzym nodig

    De definitie van een gen was tot voor kort:
    een stukje DNA dat zorgt voor het maken van 1 enzym
    Inmiddels is duidelijk geworden dat een gen soms meerdere verschillende enzymen kan maken.

  73. Bij de groei zijn genen betrokken die de celdeling regelen (regelgenen). Een aantal van die genen wordt uitgeschakeld als het lichaam is volgroeid.
    Sommige van die regelgenen kunnen "op hol slaan". Ze maken van een gewone cel een kankercel. Als dat gebeurt, gaat een al gedifferentieerde cel zich toch weer delen en ontstaat een tumor. Dergelijke op hol geslagen regelgenen worden oncogenen (letterlijk: kankergenen) genoemd.

  74. Een metastase is een uitzaaiing.
    Een kankercel blijft dan niet in het weefsel waarin hij is ontstaan, maar laat los en wordt via bloed en/of lymfe verspreid door het lichaam en vestigt zich op een andere plaats. Daardoor ontstaat op die plaats ook weer een tumor.

  75. Lang niet alle tumoren zijn kwaadaardig. Als ze beperkt blijven tot één plaats (en één weefsel) zijn ze goed te behandelen. Ze worden pas kwaadaardig als ook andere weefsel aangetast worden.

    Ook goedaardige tumoren kunnen levensbedreigend zijn. Het hangt af van de plaats waar ze ontstaan, hoe levensbedreigend ze zijn.
    Een tumor in de huid is minder gevaarlijk dan een tumor in de hersenen.
    Een tumor in de hersenen kan tot gevolg hebben dat bloedvaten dichtgedrukt worden en daardoor sterven ook gezonde hersencellen af.