[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

Gedrag

studiewijzer 4 atheneum
Antwoorden studiewijzer

Inhoud

Antwoorden opdrachten video en leerboek

Leeuwinnenmoed is ongelijk verdeeld

Onderzoek bij eidereenden

Minnaar laat zich opeten in ruil voor nageslacht

  1. Gedrag
    de handelingen (ook stilstaan!!) die een dier (mens) verricht

  2. Prikkel
    verandering in de omgeving die met een zintuig waargenomen kan worden, voorbeeld mens ziet rood stoplicht.

    Motivatie
    iets in het dier waardoor het zin heeft om iets te doen bijvoorbeeld honger of zin in voortplanting door hormonen.

  3. Voor het ontstaan van gedrag is nodig:
    1. Een prikkel
    2. Motivatie

    Gedrag is een reactie op een prikkel. De reactie vindt alleen plaats als ook de motivatie aanwezig is.
    De prikkel wordt waargenomen door zintuigen --> impulsen via zenuwen --> hersenen --> impulsen via zenuwen --> spieren of klieren --> reactie: het gedrag

  4. Gedrag ontstaat als het ware als een optelsom van de prikkel en de motivatie.
    Een zwakke prikkel en een sterke motivatie leiden tot een bepaald gedrag, maar een sterke prikkel en een zwakke motivatie ook.
    Voorbeeld:
    Iemand heeft een beetje honger (zwakke motivatie), maar ziet verschrikkelijk lekker eten (sterke prikkel) >>>>> hieruit volgt eetgedrag.
    Voorbeeld:
    Iemand heeft verschrikkelijke honger (sterke motivatie, en ziet vies eten >>>> hieruit volgt ook eet gedrag.
    (Een voorbeeld met sex mag je zelf verzinnen)

  5. Gedragssyteem
    aantal gedragsketens in vaste volgorde
    voorbeelden:
    vluchtgedrag
    baltsgedrag
    paargedrag

  6. Gedragsketen
    serie gedragselementen in vaste volgorde (bijvoorbeeld eerst alarmroep dan wegvliegen merel)

    Gedragselement
    kleinste onderdeel van gedrag (bijvoorbeeld alarmroep merel)

  7. conflictsituatie
    Ontstaat als twee gedragssystemen tegelijk worden opgewekt. Een dier kan eigenlijk maar één ding tegelijk doen.
    Het ene systeem kan dan sterker zijn dan het andere. Dat gedrag wordt dan vertoont.
    Als beide gedragssystemen even stek zijn ontstaan bijzondere combinaties van gedrag:
    ambivalent gedrag.
    Voorbeeld: iets tussen aanvallen en vluchten in.
    overspronggedrag
    Het dier gaat iets doen wat niet in de situatie past.
    Voorbeeld: aan poot likken (kat) achter de oren krabben (mens).
    omgericht gedrag
    Agressie wordt gericht op iets anders dan degene die de agressie opwekt.
    Voorbeelden:
    Een meeuw gaat in de grond pikken in plaats van de soortgenoot aan te vallen.
    Iemand slaat met zijn vuist op tafel (in plaats van iemand anders een oplawaai te verkopen).

  8. Fitness geeft aan in hoeverre individuen in staat zijn hun genen aan het nageslacht door te geven. Dieren die goed aangepast zijn aan hun omgeving en daardoor voor meer voedsel zullen kunnen zorgen, zullen meer nakomelingen krijgen en daardoor een hogere fitness hebben dan soortgenoten die minder aangepast zijn.

  9. Jonge vogels die hun ouders helpen broertjes en zusjes groot te brengen, doen daarmee ervaring op en kunnen daardoor hun eigen jongen later beter grootbrengen.
    Hun broertjes en zusjes hebben voor 50% dezelfde genen als zijzelf en dat geldt ook voor hun eigen jongen.

  10. Instinct is aangeboren gedrag. Ingewikkelder dan reflexen, maar wel gedrag waar geen leerproces aan te pas komt.

  11. -
  12. a. Het stekelbaarsmannetje krijgt in het voorjaar een rode buik.
    Hij bakent een territorium af en verdedigt tegen andere stekelbaarsmannetjes.
    Het mannetjes bouwt een nest op de bodem.
    Als er een wijfje met een "dikke buik" en dus met eieren in zijn territorium komt, lokt hij haar naar het nest (zigzagdans).
    Hij wijst haar de ingang door daar met zijn een beetje dwars voor te gaan zwemmen.
    Zij kruipt in het nest en legt eieren. Dat wordt bevorderd doordat het mannetje met zijn kop tegen haar staart trilt (siddert).
    Daarna kruipt het mannetje in het nest en bevrucht de eieren.
    Het vrouwtje verdwijnt, het mannetje zorgt verder voor de eieren.
    Tinbergen maakte modellen van was. De sleutelprikkel bleek de rode buik van het mannetje te zijn.

    b. De rode stip op de snavel is de sleutelprikkel voor het bedelgedrag van jonge zilvermeeuwen. De jongen reageren vooral op een snavel met veel contrast.

    De jonge koekoek heeft een fel oranje bek. De jonge zangvogels hebben dat ook, maar hun bek is veel kleiner. De oude zangvogels reageren op grote, de fel gekleurde, oranje bek van de jonge koekoek door er extra veel voedsel in te stoppen.

  13. De sleutelprikkel (= deblokkerende prikkel) is de prikkel die aanleiding geeft tot een bepaald gedrag.
    Alle veranderingen in de omgeving die waargenomen (kunnen) worden zijn prikkels.
    Een sleutelprikkel is een specifieke prikkel die leidt door een bepaald gedrag.


    Voorbeeld 1: Bewegend voorwerp boven nest merel>> jongen sperren
    Voorbeeld 2 : Rode vlek op snavel zilvermeeuw>>jongen pikken er tegen
    Voorbeeld 3 : Zilvermeeuw voelt jong tegen snavel pikken>>spuugt voer uit.
    Voorbeeld 4.: Bos rode veertjes>>>> roodborstmannetje valt aan.

    Voorbeelden supernormale prikkel mens:

    Voorbeeld 1. rood geverfde lippen
    Voorbeeld 2. Extra lange benen (hoge hakken) bij modetekeningen
    Voorbeeld 3. Kleurstoffen om vlees roder te laten lijken
    Voorbeeld 4. Schoudervullingen
    Voorbeeld 5. Siliconenborsten

    Voorbeelden supernormale prikkels dier:

    Voorbeeld 1: Zilvermeeuw jong pikt vaker naar gestreepte snavel dan naar normale.
    Voorbeeld 2 : Zilvermeeuw en scholekster kiezen voor extra groot ei ipv normaal ei.
    Voorbeeld 3 : Zangvogeltjes stoppen extra voedsel in grote gekleurde bek van koekoeksjong.

  14. Een reflex
    is een snelle automatische reactie op een prikkel. Reactie gaat dus niet uit van de hersenen.
    Dus een prikkel veroorzaakt een automatische reactie.
    Reflexen kunnen aangeboren zijn:

    Voorbeeld 1
    pupilreflex mens (veel licht op het netvlies (=sleutelprikkel) gevolg door een spiertje wordt de pupil kleiner
    Voorbeeld 2
    speekselreflex hond (en mens) hond ruikt of ziet voedsel (=sleutelprikkel) de speekselklieren worden leeg geperst.
    Veel reflexen zijn erfelijk, maar door ervaring kunnen reflexen ook aangeleerd worden

    Voorbeeld
    Aangeleerde reflexen schrijven, autorijden, opstaan als de bel gaat.
    Dieren passen zich aan aan de omgeving door reflexen aan te leren.

  15. a. Klassieke conditionering (geconditioneerde reflex)
    Pavlov bestudeerde speekselreflex bij honden
    Dit is een aangeboren reflex.
    Als hij tegelijk met eten een bel liet horen. werd de natuurlijke prikkel (eten ) vervangen door de bel. De aangeboren reflex werd een geconditioneerde reflex (voorwaardelijke reflex).
    Als een bepaalde prikkel steeds samenvalt met bijvoorbeeld voedsel dan leert een dier het verband tussen die prikkel en eten.
    Conditioneren is gedrag aanleren.
    Pavlov dacht dat alle handelen van dieren bestond uit geconditioneerde reflexen en dat dieren in de natuur ook zo leerden waardoor allerlei vaste gewoontes ontstonden.
    Dus gedrag wat gevolgd wordt door een beloning wordt een geconditioneerde reflex. Zo wordt voor een dier nuttig gedrag vastgelegd in gewoontes en wordt de overlevingskans van het dier groter.

    b. Leren in een skinnerbox.
    Een dier wordt automatisch beloond toevallig iets "goed" doet.
    Zo leert het dier het verband tussen handeling en belonong.
    Af en toe een beloning werkt beter dan altijd een beloning geven.

    c. Watson
    Wanneer het ei verplaats wordt, gaat de stern na terugkeer op het nest zitten en negeert het ei. Na verloop van tijd zal hij het ei met zijn snavel naar het nest terug rollen.

    Hij trainde ratten een lange gang te doorlopen om bij voedsel te komen. Andere ratten trainde hij op een korte gang.
    Hij ontdekte dat een rat die gewend was om aan het eind van een lange gang voedsel te vinden deze gewoonte niet snel afleerde.

    Exploratiegedrag (valt onder latent leren).

    d. Proefondervindelijk leren: "trial and error"
    Dieren die honger hebben (motivatie) gaan op zoek naar de sleutelprikkel.
    Ze vertonen dan een soort zoek gedrag en gaan van alles zonder plan (ze rotzooien maar wat aan) proberen om aan eten te komen.
    Mensen en dieren leren door het effect van hun gedrag. Gedrag dat beloont komt steeds vaker voor, gedrag dat nadelige gevolgen heeft komt steeds minder voor. Op deze manier passen dieren zich aan aan de veranderende omgeving. Het dier leer zo al doende (trial and error)

  16.  Er moet een beloning volgen op het vertoonde gedrag, het moet gunstige gevolgen hebben.

  17. Het dier krijgt een beloning als hij iets (uit zichzelf) doet. Als dan tegelijkertijd een commando gegeven wordt (denk aan de bel die Pavlov liet horen), zal het dier de handeling na verloop van tijd op commando gaan uitvoeren. De beloning hoeft dan niet altijd meer gegeven te worden.
    Af en toe een beloning werkt beter dan altijd een beloning geven.

  18. a. Aangeleerd of erfelijk? (Thorpe: vinken)
    Bij vinken is een een eenvoudige liedje aangeboren, de jongen leren van hun ouders in een gevoelige periode tijdens hun jeugd de complete vinkenslag
    Gevoelige periode
    Een bepaalde periode in de jeugd waarin iets aangeleerd kan worden.

    b.Inprenting is leren tijdens een gevoelige periode in de jeugd.
    Jonge ganzen leren dat het eerst bewegende ding dat ze zien als ze uit het ei komen hun moeder is.
    Het vermogen tot inprenting is erfelijk (aangeboren), maar wat ingeprent wordt , wordt geleerd.
    Lorenz maakte gebruik van inprenting van jonge ganzen. Ze zagen hem als "moeder" en hij kon zo ook als ze volwassen waren hun gedrag van dichtbij bestuderen.

    Inprenting kan ook bij volwassen dieren voorkomen.
    Voorbeeld: zilvermeeuwen accepteren vreemde jongen als deze binnen 2 dagen na het uitkomen van de eieren in het nest geplaatst worden. Als dat later gebeurt, worden de jongen niet meer geaccepteerd, maar weggejaagd of gedood.
    Jongen leren zo wie de moeder is en blijven in de buurt.

    Ritualisatie
    Als een onderdeel van een bepaald gedrag gebruikt wordt als een soort teken(=signaal) voor soortgenoten tijdens bijvoorbeeld het voortplantingsgedrag.
    Voorbeeld: Voeren van jongen wordt onderdeel paargedrag bij meeuwen
    Voorbeeld: Water drinken bij eenden wordt teken van mannetje aan vrouwtje tijdens paring.
    Voorbeelden ritualisatie mens:
    1. ogen wijder openen (om beter te kunnen zien wordt een groet
    2. op het hoofd krabben als je jeuk hebt wordt een signaal van onzekerheid

    c. Surrogaatmoederexperimenten (Harlow)
    Ze leren zo sociaal gedrag. Ze leren zich te gedragen in de groep.
    Door te spelen leren de jonge dieren hun grenzen kennen in de omgang met soortgenoten
    Hij liet resusapen alleen opgroeien zonder contact met soortgenoten, andere dieren liet hij af en toe met soortgenoten spelen.
    Geïsoleerd opgegroeide aapjes konden niet met soortgenoten omgaan en konden hun jongen niet verzorgden.

  19. Eigen samenvatting met omschrijving van:
    Conditionering
    Gewenning
    Proefondervindelijk leren (door beloning en straf) - "trial and error"
    Inprenting
    imitatie
    Inzicht

  20. Gedrag dat eerst is bedacht en daarna uitgevoerd wordt.
    Eerst denken en dan doen. Dit gedrag komt alleen bij mensen en bij apen voor.
  21. Eigen overzicht.

  22. Bijenendans (Von Frisch
    Von Frisch dresseerde bijen om te reageren op kleuren. Hij leerde ze in schaaltjes op kartonnetjes et een bepaalde kleur suikerwater zat. Daarna bewees hij dat bijen echt bepaalde kleuren kunnen zien door de bijen te laten keuzen tussen een kleur en verschillende grijstinten.

    Bijen 'dansen' een 8 vormige beweging op de raat .
    De hoek op de raat geeft de richting van het voedsel aan en de snelheid van de dans de afstand.

    De afstand en de richting waarin de gevonden voedselbron ligt.
    Aantal dansen per minuut is maat voor de afstand.
    De hoek op de raat de richting.

  23. Een dier (de koningin) legt eieren en meerdere dieren (werksters) zorgen voor het nageslacht.
    De werksters zijn allemaal zusters van elkaar en dochters van de koningin. Door het broed te verzorgen, verzorgen ze dus hun nauwe verwanten (en dus hun eigen genen).

  24. De mannetjes (darren) ontstaan uit onbevruchte eieren. De mannetjes zijn dus haploïd. De vrouwtjes uit bevruchte eieren (diploïd). De werksters hebben daardoor 75% van hun genen gemeenschappelijk. Door voor het broed van hun moeder te zorgen, is hun fitness groter dan wanneer ze voor eigen jongen zouden zorgen.

  25. Pikorde (Schelderup-Ebbe: kippen)
    Voorbeeld bij kippen

    In de groep is een bepaalde hiërarchie. Degene die de baas is eet het eerst. Degene die onderaan staat het laatst. De rangorde in de groep wordt vastgesteld door een soort schijngevechten. De kippen pikken naar elkaar de zwakste wendt zich af en maakt zich klein.Door de pikorde ontstaat er rust in de groep. De zwakste past zich aan en wordt beschermd.
    De leider heeft meer kans op nakomelingen (en dus zijn genen door te geven).
  26. -

  27. Baltsgedrag van vogels (Huxley)
    Het gedrag dat vooraf gaat aan de paring. Door het balts gedrag komen mannetje en vrouwtje in de juiste stemming om te paren.
    Functies
    1. trekt eventuele partners aan
    2. zorgt voor een soortgenoot
    3. neiging(motivatie) tot vluchten wordt vervangen door neiging(motivatie) tot paren.




    Leeuwinnemoed is ongelijk verdeeld
  28. Door het teamwork zal er eerder een prooi gevangen worden.

  29. a
    Een gebied dat verdedigd wordt tegen indringers. Een dier kan zo'n gebied markeren met een bepaalde geur, geluid of door langs de grenzen te lopen, vliegen, zwemmen of kruipen.

    b
    Aanvalsgedrag (dreiggedrag), conflictgedrag, imponeergedrag.

    c
    Vrouwtjes blijven hun hele leven binnen de groep, terwijl de mannetjes gemiddeld na twee jaar door concurrenten worden verdrongen. Als er jongen zijn binnen een groep zullen de vrouwtjes erg snel reageren op bedreigingen van welke aard dan ook.

    d
    Hoe groter het territorium, hoe meer voedsel.

  30. a
    De heldhaftige leeuwinnen staan bij bedreiging op en gaan agressief en voortvarend op verkenning uit.

    b
    Het groepje timide leeuwinnen doet bij bedreiging niets, ze kijken elkaar hoogstens aan.

    c
    In een gemengde groep zal een timide leeuwin waarschijnlijk voorzichtig enkele stappen doen in de richting van het gebrul, maar ze houdt daarbij angstvallig in de gaten of ze nog wel gevolgd wordt door meer heldhaftige soortgenoten.

  31. Sleutelprikkel.

  32. a
    I. 'Voor wat, hoort wat' principe. Dieren binnen een groep zijn bereid tot opoffering en samenwerking, als dit ten goede komt aan de groep en vooral het voortbestaan van de groep.

    II. Verwanten-selectie. Selectie die naast de eigen nakomelingen ook rekening houdt met andere verwanten. Dieren zijn genetisch gezien gebaat bij voortplantingssuccessen van familieleden.

    b
    Leeftijd, lichaamsafmetingen, 'zo moeder zo dochter'.

    c
    Het verschil in heldhaftigheid verklaart Heinsohn met een door vroege ervaringen gevormde persoonlijkheid.

    d
    I. De leeuwinnen die tot zelfopoffering bereid zijn, kunnen er niet op rekenen dat de overige groepsleden in eenzelfde situatie net zo zullen handelen.

    II. Bij de leeuwinnen is er geen sprake van volledige samenwerking.

    e
    Altruïsme: het opofferen van de eigen rechtstreekse belangen, zelfs van de eigen overlevingskansen, als daardoor de overlevingskansen van verwante dieren toenemen.

  33. a
    Binnen een groep bestaat er verwantschap. De heldhaftige leeuwinnen nemen daardoor genoegen met de aanwezigheid van in verdediging timide leeuwinnen (II). En mogelijk hebben deze zwakkere zusters andere kwaliteiten (als jagers, verzorgers van de welpen) die bijdragen aan het succes binnen de familie(I).

    b
    Voorbeelden van mogelijke antwoorden: Onderzoek of er binnen een groep leeuwen, niet verwante timide leeuwinnen getolereerd worden. Onderzoek naar mogelijke andere kwaliteiten van de timide leeuwinnen.



    Onderzoek bij eidereenden

  34. Vraagstelling mag slechts één probleem bevatten en moet zo nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd
    Mogelijke antwoorden:
    • Hoe kunnen eidereenden het zich veroorloven de plaats van hun nesten zo duidelijk voor de predator te markeren?
    • Hebben de uitwerpselen van broedende eidereenden een afstotende werking op de predatoren?
    • Op welke manier worden bebroede eieren van eidereenden tegen roofdieren beschermd?

  35. Swennen vermoedt dat de uitwerpselen van broedende uitwerpselen een afstotende werking hebben. Daarom doet hij een proef met uitwerpselen van broedende eidereenden.

    Hij doet dezelfde proef met uitwerpselen van niet-broedende eidereenden ---> dit is de controle proef.

  36. Twee waarnemingen bij de proef zijn:
    • Besmeurd voedsel wordt (aanvankelijk) geweigerd
      pas na een dag wordt er van het besmeurde voedsel gegeten
    • Een waarneming bij de controleproef is:
      Het voedsel wordt direct gegeten.
    • Vergelijk de waarneming van de proef en de controle proef.

  37. Bij de proef wordt voedsel geweigerd, bij de controle proef wordt voedsel direct gegeten
    conclusie 1: uitwerpselen van broedende eidereenden hebben een afstotende werking op
    roofdieren, want bij besmeurd voedsel wordt pas na een dag gegeten, niet besmeurd voedsel
    wordt meteen gegeten.

    conclusie 2: Het afstotende affect van uitwerpselen van broedende eidereenden wordt veroorzaakt door een geur.





    Minnaar laat zich opeten in ruil voor nageslacht

  38. Voorbeelden van een goede hypothese:
    Door het mannetje op te eten, krijgt het vrouwtje meer voedsel waardoor ze meer/betere eitjes produceert.

    Bij de mannetje die zich laten opeten, duurt de paring langer waardoor het mannetje meer eitjes kan bevruchten.

  39. De eigenschap is erfelijk en heeft meer nakomelingen tot gevolg, levert dus een selectievoordeel op.

    De eigenschap wordt niet weggeselecteerd omdat hij al wordt doorgegeven (bij de paring) voordat het mannetje wordt opgegeten.