[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Gedrag

studiewijzer 4 atheneum

domein E3

Overzicht leerstof

Gedrag
  • Gedrag
    • Alles wat een dier (en mens) doet (alle waarneembare activiteiten) .
    • Reactie op inwendige of uitwendige prikkel.
    • Alleen als ook motivatie aanwezig is.
  • Gedrag is gevolg van:
    • prikkels:
      • uitwendige prikkels
        • Uit omgeving.
      • inwendige prikkels
        • Uit eigen lichaam.
  • Sleutelprikkel
    • Prikkel die een specifiek gedrag veroorzaakt.
      Voorbeelden:
      • rode buik stekelbaarsmannetje.
        • Sleutelprikkel voor andere mannetjes --> aanval --> jaagt hem weg uit het territorium.
      • sperren van jonge vogels.
        • Sleutelprikkel voor de ouders --> gaan voeren.
  • Motivatie (motiverende factoren)
    • "Zin hebben in" (bereid zijn tot) een bepaald gedrag.
      Voorbeeld:
      • honger
    • Motivatie kan beïnvloed worden door:
      • inwendige factoren.
        Bijvoorbeeld:
        • zenuwstelsel;
        • hormonen.
      • uitwendige factoren.
        Bijvoorbeeld:
        • daglengte;
        • temperatuur.
  • Biologische klok
    • Processen in een organismen, met een eigen vaste ritme
      Voorbeelden:
      • 's nachts functioneert het lichaam anders dan overdag (dag/nachtritme).
      • menstruatiecyclus (maandritme).
      • vogeltrek (seizoensritme).
  • Gedrag kan zijn:
    • aangeboren (erfelijk).
    • aangeleerd.
      • Vaak is een deel erfelijk en een deel aangeleerd
        • Het kunnen leren is erfelijk bepaald, de mate waarin geleerd wordt is afhankelijk van het milieu.
        • Bijvoorbeeld zang van vogel.
          • Het vermogen tot zingen is aangeboren.
          • Hoe ze gaan zingen is afhankelijk van de omgeving en dus een leerproces.
  • Hoofdfuncties gedrag
    • Zelfhandhaving van het individu (in leven blijven).
      O.a.:
      • vluchtgedrag;
      • eetgedrag.
    • Zorgen voor het voortbestaan van de soort (genen doorgeven).
      • Voortplantingsgedrag.
        O.a.:
        • baltsgedrag;
        • broedzorg.
  • Gedragssysteem
    • Groep samenhangende, opeenvolgende handelingen.
      Bijvoorbeeld
      :
      • paringsgedrag
      • broedzorg
      • territoriumgedrag
    • Handelingen kunnen onderscheiden worden in:
      • handelingen met een gemeenschappelijk effect.
      • handelingen met een gezamenlijke fluctuerende frequentie.
      • handelingen die in de tijd samenhangen.
    • Gedragsketen
      • Aantal handelingen achter elkaar (in een vaste volgorde).
        • Effect van een bepaalde handeling leidt tot een volgende handeling.

Conflictgedrag

  • Als meerdere gedragssystemen tegelijkertijd opgewekt worden (conflict tussen gedragssystemen).
  • Ambivalent gedrag
    • Als beide systemen even sterk geprikkeld worden.
    • Afwisselend worden elementen uit beide gedragssystemen vertoond.
      Voorbeeld:
      • dier dat op de grens van zijn territorium afwisselend aanvalt en vlucht.
  • Omgericht gedrag
    • Agressie wordt niet op tegenstander gericht maar op een "voorwerp".
      Voorbeelden:
      • in plaats van soortgenoot te pikken gaat dier in de grond pikken.
      • mens:
        • de deur keihard dichtgooien als je kwaad bent.
        • met de vuist op tafel slaan.
  • Overspronggedrag
    • Schijnbaar zinloze handeling uit een ander gedragsysteem dan op een bepaald moment relevant is.
      Voorbeelden:
      • vechtende vogels gaan plotseling hun veren poetsen.
      • mensen die in verlegenheid gebracht zijn, krabben op hun hoofd.
Leergedrag

Leerprocessen

  • Gewenning
    • Op een prikkel die vaak herhaald wordt, of permanent aanwezig is, wordt niet meer gereageerd.
  • Inprenting
    • Het leren in een bepaalde gevoelige periode (als jong dier).
      Bijvoorbeeld het leren herkennen van de ouders.
    • kan niet meer worden afgeleerd.
  • Conditionering
    • Klassiek conditioneren
      • Van bestaande reflex wordt de prikkel veranderd.
      • Voorbeeld:
        • speekselreflex:
          • Oorspronkelijke prikkel is het zien of ruiken van voedsel.
          • Aangeleerd wordt het reageren op een andere prikkel, bijvoorbeeld geluid.
    • Operant conditioneren
      • Aanleren van nieuw gedrag door beloning of straf.
  • Imitatie
    • Leren door gedrag van soortgenoten na te doen.
  • Inzicht
    • In staat om in een nieuwe onbekende situatie verschillende ervaringen te combineren om tot een oplossing te komen.
  • "Trial-and-error" - proefondervindelijk leren
    • Leren uit ervaring.
    • Alleen gedrag dat een beloning oplevert (bijvoorbeeld voedsel) wordt onthouden.
Sociaal gedrag

Sociaal gedrag

  • Gedrag binnen groepen
    • leidt tot:
      • samenwerken (bijvoorbeeld bij het jagen).
      • taakverdeling binnen een groep (bijvoorbeeld bij bepaalde insecten).
      • rangorde (hiërachie - "pikorde").
    • Voordelen
      • Samen is het veiliger.
        • Jongen kunnen beter beschermd worden.
        • Roofdier (predator) wordt eerder opgemerkt en kan door de groep makkelijker verjaagd worden.
        • Samenwerking bij het verkrijgen van voedsel is mogelijk
    • Nadelen
      • Voedsel moet gedeeld worden met soortgenoten.
      • Grotere kans op besmettelijke ziekten of parasieten.
  • Voorbeelden
    • Samenwerken (bijvoorbeeld bij het jagen).
    • Taakverdeling binnen een groep
      • Bijvoorbeeld bij bepaalde insecten.
        • Een bijenvolk heeft een koningin om de eieren te leggen,
        • Werksters om de larven te verzorgen, voedsel op te sporen en om het voedsel op te halen.
    • Rangorde (hiërarchie - "pikorde")
      • Er is in de groep een bepaalde rangorde, van hoog tot laag.
        • Rangorde wordt door gevechten vastgesteld.
        • Ieder dier kent zijn plaats.
        • Voorkomt voortdurende onderlinge conflicten.
    • Communicatie met soortgenoten door:
      • dreigen;
      • imponeren;
      • verzoenen;
      • onderwerpen.

Voorbeelden sociaal gedrag

  • Baltsgedrag
    • Gedrag dat aan een paring vooraf gaat.
      • Voorkomt dat gepaard wordt met een niet-soortgenoot.
      • Vergroot de bereidheid tot paring van de partners (in de stemming komen).
      • Geeft de dieren een kans om de beste partner te kiezen.
  • Paringsgedrag
  • Broedzorg
    • Vergroot de kans dat het nageslacht groot wordt.
    • Bij warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) altijd.
      • Eieren moeten warm gehouden worden.
      • Jongen moeten gevoerd worden.
    • Bij andere diergroepen beperkt tot het uitzoeken van een veilige plaats voor de eieren .
      • Verdergaande broedzorg komt wel voor.
        Voorbeelden
        :
        • stekelbaarsmannetje verzorgt de eieren.
        • bijen verzorgen de larven.
  • Territoriumgedrag
    • Territorium is een bepaald gebied door een dier wordt bezet.
    • Wordt verdedigd tegen binnendringende soortgenoten --> territoriumgedrag.

Sociaal gedrag bij de mens

  • Rolpatronen
    • Stereotiep gedrag.
      • cultureel bepaald.
        Voorbeeld:
        • de vrouw staat hoort achter het aanrecht, de man werkt buitenshuis.
    • Biologisch bepaald
      • De vrouw krijgt de kinderen en voedt die.
  • Normen en waarden
    Bepaald door
    :
    • cultuur;
    • wetgeving;
    • gevoel;
    • tijd waarin we leven.
Voorbeeld gedrag

Voorbeeld driedoornig stekelbaarsje

Mannetje

  • Krijgt in de voortplantingstijd een rode buik.
    • Sleutelprikkel voor andere mannetjes.
  • Bakent een territorium af.
    • Jaagt alle andere mannetjes (met een rode buik) weg.
      • Territoriumgedrag.
  • Bouwt van plantenmateriaal een nest.
  • Lokt vrouwtje naar het nest.
    • Sleutelprikkel: dikke buik van het vrouwtje.
    • Mannetje: zigzag dans.
      • Baltsgedrag.
    • Zigzag dans is sleutelprikkel voor het vrouwtje.
      • Zij volgt het mannetje.
  • Leidt vrouwtje naar het nest.
  • Toont haar de nestingang.
    • Vrouwtje kruipt het nest in.
  • Siddert: trilt tegen de staart van het vrouwtje.
    • Sleutelprikkel voor vrouwtje om eieren te gaan leggen.
  • Zwemt daarna zelf door het nest om de eieren te bevruchten.
  • Jaagt vrouwtje weg.
  • Verzorgt de eieren/jongen.
    • Waaieren
      • Met vinnen een waterstroom door het nest veroorzaken --> meer zuurstof voor de jongen.
        • Broedzorg.
Onderzoek

Zie techniekkaart 14.1

Gedrag mens - dier

  • Overeenkomsten
    • Gedrag is voor deel erfelijk bepaald.
    • Veroorzaakt door prikkels.
      • Sleutelprikkels.
      • Supranormale prikkels.
    • Bepaalde typen gedrag komen bij beiden voor.
      Bijvoorbeeld:
      • baltsgedrag;
      • territoriumgedrag;
      • broedzorg;
      • imponeren;
      • verzoenen.
  • Verschillen
    • Inzicht heeft bij mensen een groter aandeel dan bij dieren.
    • Gedrag sterk beïnvloed doordat mensen hun natuurlijke omgeving veranderd hebben
      • Huizen.
      • Verkeer.
      • Communicatiemiddelen.
    • Mensen (kunnen) zich meer bewust zijn van hun eigen gedrag.
      • Daardoor ook lastiger om dit gedrag te bestuderen.

© scholte/marree 2009