Moleculaire
genetica studiewijzer 4.5 (4
atheneum) Antwoorden
studiewijzer De
genetische code (vraag 1 t/m 9) Eiwitsynthese
(vraag 11 t/m 31) Mutaties
en modificaties (vraag 33 t/m 40) Veredelingstechnieken
(vraag 42 t/m 58) DNA 2
strengen RNA 1
streng DNA
desoxyribose RNA
ribose DNA
thymine RNA
uracil DNA is een veel
groter molecuul (groot aantal genen) RNA 1 kopie van
1 gen.
Inhoud
![]()
Een chromosoom is alleen 'zichtbaar' tijdens de
celdeling.
Voor de de deling vindt de replicatie van het DNA plaats.
De twee identieke DNA strengen (chromatiden)
blijven tijdens de spiralisatie aan elkaar zitten met het
centromeer. Tijdens de mitose en de meiose 2 worden de
twee chromatiden uitelkaar getrokken
Een nucleotide is een bouwsteen van DNA en RNA.
Een nucleotide bestaat uit een suiker, een organische
base en een fosfaat.
![]()
DNA
RNA
Brengt de informatie van het gen naar de ribosomen in het
cytoplasma.
Schuift langs ribosoom, wordt afgelezen om aminozuren
aanelkaar te rijgen tot een eiwit.
M-RNA is een kopie van 1 DNA streng ter grootte van 1
gen.
De meeste aminozuren hebben meerdere t-RNA moleculen ter
beschikking.
a
UAC AAG AAC CAA CGA CUA CUU UCU UCU ACA UCU
b
tyr (tyrosine), , lys (lysine), asn (asparagine), gin
(glutamine), arg (arginine), leu (leucine), leu
(leucine), ser (serine), ser, thr (threonine), ser
m-RNA
ribosoom
t-RNA
eiwit en enzym
3' eind ACU CAA CGU UAC 5'eind
Als alleen een base vervangen wordt (substitutie) dan
verandert er 1 aminozuur in het eiwit.
Als er een base extra komt of wegvalt, dan veranderen
alle volgende codons ook , alles schuift op. en een groot
aantal andere aminozuren komt in het eiwit.
UAG ---> stopcodon
UCG ---> ser (serine)
UUG ---> leu (leucine)
Regelgenen regelen de groei en ontwikkeling van
cellen
Er zijn regelgenen die normale deling regelen en
regelgenen die ongeremde deling tegengaan
Regelgenen worden aan en uit gezet door hormonen de op
speciale eiwitten in de celmembraan gaan zitten, waarna
er een stof naar de kern gaat om het gen aan of uit te
zetten.
Oncogenen zijn defecte regelgenen die van een gewone cel
een kankercel maken
Proto-oncogenen zijn regelgenen die mogelijk kunnen
veranderen in oncogenen.
Anti-oncogenen zijn regelgenen die ongecontroleerde groei
van cellen (vorming van tumoren) kunnen tegengaan.
De genen die celdeling en groei regelen kunnen aan en uit
gezet worden door regelgenen.
Regelgenen zijn dus genen die andere genen aan en uit
kunnen zetten>
De regelgenen zelf worden aan en uit gezet onder invloed
van hormonenn die op receptoreiwitten in de celmembraan
gaan zitten.
Defecte regelgenen kunnen aanleiding geven tot
ongecontroleerde celdeling en het ontstaan van
tumoren.
Zulke defecte regelgenen noemt men oncogenen.
Er zijn ook regelgenen die ongeremde groei tegengaan.
(anti-oncogenen).
Een mutatie in een huidcel blijft beperkt tot die cel of
tot de nieuwe huidcellen die uit die cel ontstaan.
![]()
Veredelingstechnieken
Door ongeslachtelijke voortplanting ontstaan dus
genetisch identieke nakomelingen.
Bij hogere dieren komt ongeslachtelijke voortplanting
alleen voor bij het ontstaan van eeneiige tweelingen.
Een embryo dat ontstaan is uit 1 eicel en 1 zaadcel (dus
uit 1 zygote) breekt in twee stukken. Als dat in een
vroeg stadium gebeurt kunnen beide stukken uitgroeien tot
identieke organismen.
Bij planten is ongeslachtelijke voortplanting normaal
(stekken, uitlopers, knollen enz.)
De organismen die tot een kloon horen zijn genetisch
identiek. Ze hebben dezelfde genen.
Als het fenotype van deze organismen toch verschilt dan
komt dat door de omstandigheden. Deze verschillen noemt
men modificaties.
Bij een weefselkweek kunnen in korte tijd veel
nakomelingen verkregen worden. Weefselkweek is een
vorm van ongeslachtelijke voortplanting. Alle individuen
die ontstaan zijn dus genetisch identiek.
Het oudste voorbeeld is alcohol maken met gistcellen.
Virussen hebben geen ribosomen en geen
mitochondriën. Ze kunnen dus zelf geen eiwitten in
elkaar zetten.
Virussen dringen andere cellen binnen. Hun DNA wordt
ingebouwd in het DNA van de gastheercel.
Op een bepaald moment gaat de gastheercel virussen
maken.
De gastheercel valt uitelkaar en de virussen komen
vrij.
Virussen kunnen zich dus niet zelf voortplanten. Ze laten
zich door andere organismen voortplanten.
Als zo'n virus een cel binnedringt, dan wordt het virus
RNA afgelezen tot DNA (Het omgekeerde dus van de normale
situatie)
Dit virus DNA zit te midden van het DNA van de
gastheercel. Op een bepaald moment kunnen de virusgenen
aangezet worden en gaat de gastheer virussen maken.
Het aidsvirus is een RNA-virus.
Bijvoorbeeld:een cel die antistoffen kan maken, maar zich
niet meer kan delen, met een cel die geen antistoffen kan
maken maar zich wel kan delen.
Van schaap B neemt men een aantal eicellen waaruit de
kern wordt verwijderd.
Men laat de lichaamscellen van schaap A versmelten met de
"lege" eicellen van schaap B
De zygotes hebben allemaal de genen van schaap A.
De zygotes worden ingeplant in de baarmoeders van andere
schapen.
Bij de klassieke manier van klonen wordt gewerkt met
bevruchte eicellen die zich gedeeld hebben. De ontstane
cellen worden gesplitst. Deze embryonale cellen hebben
nog hun delingsvermogen. Iedere afzonderlijke cel groeit
uit tot een nieuw individu.
Bij Dolly werden kernen cellen uit een volwassen schaap
genomen. Deze cellen zijn al gedifferentieerd.