[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Klassieke erfelijkheidsleer

studiewijzer 4.6 (4 atheneum)

domein C1

Overzicht leerstof

Termen/begrippen erfelijkheid

DNA, genotype en fenotype

 

  • chromosomen bestaan uit DNA
  • gen: deel DNA met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap
    transcriptie-translatie
    translatie
  • genotype: geeft aan welke genen op de chromosomen liggen
  • fenotype: de uiteindelijke eigenschappen van een individu
    wordt bepaald door:
    • de samenstelling van het DNA (het genotype)
      en
    • milieufactoren
  • invloed van het milieu op ontstaan van het fenotype kan goed onderzocht worden bij tweelingen
    • een-eiïge tweelingen hebben hetzelfde genotype --> verschillen moeten veroorzaakt zijn door milieufactoren
    • twee-eiïge hebben verschillend genotype en fenotype

Voortplanting

ongeslachtelijke voortplanting

  • nieuw individu ontstaat uit één of meer cellen van één individu
  • alle nakomelingen hebben hetzelfde genotype (= kloon)

geslachtelijke voortplanting

  • twee geslachtscellen versmelten met elkaar
  • nakomelingen hebben een nieuwe combinatie van erfelijke eigenschappen (de helft afkomstig van de vader en de helft van de moeder)

    Zie ook
    meiose

Toepassingen

 

Mens

prenatale diagnostiek
onderzoek van (cellen van) het embryo

cellen van embryo worden gekweekt en onderzocht op:

  • aantal chromosomen
    • Karyogram (= afbeelding van de chromosomen) wordt gemaakt.
      Afwijkingen in aantallen chromosomen kunnen worden ontdekt.
      • bijvoorbeeld: trisomie 21 (syndroom van Down)
    • karyogram wordt gemaakt van een cel tijdens de mitose.

  • afwijkingen in de bouw van de chromosomen - DNA-analyse
    bij bepaalde ernstige erfelijke ziektes

    voordeel

  • vroegtijdig ontdekken van ernstige afwijkingen bij embryo --> keuze om zwangerschap door te zetten of af te breken

    nadelen

  • keuze maken is moeilijk (wel of geen abortus)
  • vlokkentest en vruchtwaterpunctie zijn niet geheel zonder risico --> kunnen in enkele gevallen
    (0,3 - 0,5%) leiden tot miskraam.

vlokkentest

  • via de vagina worden cellen uit buitenste vruchtvlies (later deel van placenta) opgezogen
  • kan vanaf negende week

vruchtwaterpunctie

  • via de buikwand wordt vruchtwater opgezogen
  • vruchtwater bevat cellen van de foetus
  • kan vanaf zestiende week
  • minder riskant dan vlokkentest

Kruisingen

Termen

termen toe kunnen passen in kruisingen

allel (allelen)

bepaald gen kan verschillende vormen hebben
bijvoorbeeld:
het gen voor oogkleur kan voor witte ogen zorgen of voor rode ogen
Men spreekt dan van:
het allel voor witte ogen en
het allel voor rode ogen

dominant

  • dominant allel komt bij heterozygoot tot uiting in het fenotype

recessief

  • recessief allel komt bij heterozygoot niet tot uiting in het fenotype
  • komt alleen tot uiting in het fenotype als op het andere (homologe) chromosoom ook het recessieve allel aanwezig is (homozygoot)

intermediair

  • beide allelen komen bij heterozygoot tot uiting
  • er is geen dominant en recessief allel

X-chromosomale genen

  • liggen op het X-chromosoom
  • mannen hebben maar één X-chromosoom en dus altijd maar één allel van het betreffende gen

homozygoot

  • individu heeft van bepaald gen twee gelijke allelen

heterozygoot

  • individu heeft van bepaald gen twee verschillende allelen


Uitkomsten voorspellen

 

 

 

uitkomst kunnen voorspellen met behulp van kansberekening van:

Monohybride kruising

Dihybride kruising

Dihybride kruising gekoppeld

Crossing-over

X-chromosomale overerving

oefenen:

Simulatie van de kruisingen van Mendel

Virtueel practicum bananenvliegen inleiding

Virtueel practicum bananenvliegen kruisingen

 

© scholte/marree 2007