[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 


 

Erfelijkheidsleer vmbo (tl)

 

Inleiding

Alle processen in een organisme worden geregeld door de kernen in de cellen.
In de celkern zitten grote draadvormige moleculen die uit de stof DNA bestaan.

 

Als de cel gaat delen worden die moleculen korter en dikker. Met kleurstoffen zijn ze goed zichtbaar te maken.

Deze lichaampjes in de celkern noemt men chromosomen.
Op de chromosomen liggen de erfelijke eigenschappen, de genen (enkelvoud = gen).

Een gen, een erfelijke eigenschap regelt een bepaald proces in een levend wezen.

Mensen hebben ieder chromosoom, dus ook de genen die op de chromosomen liggen, 2 keer.

Genen kunnen verschillender vormen hebben. Een gen kan bijvoorbeeld beschadigen waardoor het op een iets ander manier werkt.

Mensen hebben een gen dat ervoor zorgt dat ze hun tong kunnen dubbel vouwen (tongrollen).

 Als dat gen defect is, kunnen ze niet tongrollen.

Het gen voor tongrollen kan dus twee vormen hebben, wel tongrollen en niet-tongrollen
Het gen voor tongrollen zit in iedere menselijke cel 2 keer, 1 gen komt uit de zaadcel en 1 gen komt uit de eicel.
Welke allelen van dit gen kunnen er in 1 persoon zitten?

Er zijn 3 mogelijkheden:

persoon 1. Twee keer het gen tongrollen
persoon 2. Twee keer het gen niet-tongrollen
persoon 3. Het gen tongrollen en het gen niet-tongrollen.

Wat is het uiterlijk van een mens met twee keer het gen tongrollen?

Deze persoon met twee keer het goede gen kan in ieder geval tongrollen

Men zegt dan: Het fenotype (= uiterlijk) is "tongrollen".

Het
uiterlijk (=fenotype) van persoon 2 is ook duidelijk. Beide genen zijn defect, dus deze persoon kan "niet tongrollen".
De personen 1 en 2 heeben twee dezelfde vormen van het gen. Zij zijn
homozygoot. (homo= gelijk)

Persoon 3 heeft twee verschillende vormen van het gen. Voor deze eigenschap is hij
heterozygoot. (hetero= anders)

Wat is nu het uiterlijk (fenotype) van persoon 3?

Meestal is het voldoende als 1 werkend gen aanwezig is in de cellen.

Er is geen verschil waarneembaar tussen iemand met twee keer gen voor tongrollen en iemand met één keer het gen voor tongrollen. Beide personen kunnen evengoed hun tong dubbel vouwen.
Men zegt in dit geval dat het gen 'tongrollen' in een heterozygoot individu het gen 'niet tongrollen' overheerst.

Het gen 'tongrollen' is
overheersend (=dominant) over het gen 'niet tongrollen'.

Het gen 'niet tongrollen' is
ondergeschikt (=recessief) ten opzichte van het gen'tongrollen'.

Stel je noemt het gen tongrollen A.
Voor de dominante vorm van het gen gebruikt men een hoofdletter, voor de recessieve vorm een kleine letter.

Met deze symbolen kunnen we de toestand op de chromosomen van persoon 1 t/m 3 weergeven.

Opmerking:

Iemand die op grond van zijn genen het fenotype tongrollen zou moeten hebben kan mogelijk toch niet kunnen tongrollen, doordat er tijdens de groei en ontwikkeling iets fout gaat!!

.

genotype

fenotype

in symbolen
in woorden

in woorden
persoon 1

AA of



homozygoot

dominant

 

tongrollen
persoon 2
aa of
homozygoot

recessief

niet tongrollen
persoon 3
Aa of

heterozygoot

tongrollen