[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
 

Samenvatting examenstof biologie - VMBO - TL en GL

exameneenheid K9

Het lichaam in stand houden:
voeding en
genotmiddelen, energie, transport en uitscheiding

1. Voeding en spijsvertering

Centraal examen

Voedingsstoffen en vertering

Voedingsmiddelen

  • Alles wat je eet en drinkt.
  • In voedingsmiddelen zitten de voedingsstoffen.
herkomst
wat zit er in
 

plantaardig voedsel

veel zetmeel
veel vitaminen
veel voedingsvezels
weinig vet (en weinig cholesterol)

Peulvruchten en noten bevatten ook nog veel eiwitten.

dierlijk voedsel

veel eiwit
veel vet ( en veel cholesterol)

 

Voedingsstoffen

  • Nodig als:
    • brandstof: om er energie uit te halen.
    • bouwstoffen: voor groei en herstel.
    • beschermende stoffen: voorkomen dat je ziek wordt.
    • reserve stoffen

    Vertering

  • Het kleiner (oplosbaar) maken van voedingsstoffen.
    Nodig:
    • omdat ze in het bloed terecht moeten komen.
    • en dus door de cellen van de darmwand heen moeten.
      • Het bloed vervoert de opgeloste voedingsstoffen naar de cellen in het lichaam.
  • Alleen grote voedingsstoffen moeten verteerd worden.
  • Gebeurt in de mond, maag en in de darmen met behulp van verteringssappen.
  • Niet alles kan verteerd worden.
    • Wat niet verteerd kan worden poep je uit.
      Bijvoorbeeld; voedingsvezels (celwanden van planten).
      • Zijn wel belangrijk voor de spierwerking van je darmen (peristaltische bewegingen).
        Daardoor wordt het voedsel:
        • goed gemengd met de enzymen.
        • door de darmen geduwd.

Enzymen

  • Stoffen die reacties in het lichaam versnellen.
    • Door enzymen kunnen voedingsstoffen verteerd worden.
  • Een bepaald enzym kan maar één bepaalde reactie versnellen.
    Bijvoorbeeld:
    • een enzym om zetmeel te verteren.
    • een enzym om eiwit te verteren.
  • Het enzym doet zelf niet mee met de reactie.
    • Het verandert zelf niet.
    • Het kan meerdere keren werken.
  • Enzymen werken het beste bij een bepaalde optimale temperatuur.
    • Bij lagere of hogere temperatuur werken ze langzamer.
  • Enzymen werken het beste bij een bepaalde zuurgraad.
    • Dat verschilt per enzym.
      Bijvoorbeeld:
      • Het enzym in de maag werkt het beste in een zure omgeving.
      • Het enzym uit het speeksel werkt het best in een neutrale omgeving.

Voorbeelden van voedingstoffen

Naam groep
Naam stof
Functie
Moet wel of niet verteerd worden

Koolhydraten

 

 

glucose brandstof voor cellen

niet

zetmeel
Ketting van glucose
reservestof

wel

glycogeen
Dierlijk zetmeel
wordt bewaard in de lever als reservestof

wel

Eiwitten

  bouwstof

wel

Vetten

 

verzadigde vetten
onverzadigde vetten

reservestof
brandstof
bouwstof

wel

cholesterol

bouwstof
reservestof

niet

Vitamines

bijvoorbeeld:
vitamine A
vitamine B
vitamine C
vitamine D

 

bouwstoffen
beschermende stoffen

Belangrijk onder andere voor:
- weerstand tegen ziektes
- goede spijsvertering
- sterke botten

niet

 

Mineralen (zouten)

bijvoorbeeld:
ijzer
kalk

 

bouwstoffen
beschermende stoffen

Ijzer: nodig voor je rode bloedcellen.
Kalk: nodig voor je botten.

niet

 

Water Belangrijke bouwstof: het lichaam bestaat voor een groot deel uit water.
Transportmiddel (bloed).

niet

Gezonde voeding

  • Bevat alle voedingsstoffen (schijf van vijf).
    • Voldoende bouwstoffen.
    • Voldoende brandstoffen.
  • Heeft de juiste voedingswaarde.
    • Voedingswaarde geeft aan hoeveel energie er bij de verbranding van dat voedsel vrijkomt.
      • Hoeveelheid energie wordt aangegeven in kJ (kiloJoules) of in kcal (kilocalorieën).
Teveel of te weinig
  • Hoeveel je nodig hebt hangt af van:
    • de grootte van je lichaam.
      • een groot lichaam heeft meer energie nodig dan een klein lichaam
        • de grondstofwisseling (energieverbruik in rust) is bij een groot lichaam groter.
    • of je nog groeit (dus hoe oud je bent).
      • Voor de groei zijn veel bouwstoffen nodig.
        • Volwassenen hebben minder bouwstoffen nodig dan kinderen.
    • of je veel of weinig sport.
  • Meer eten dan nodig is --> het teveel wordt opgeslagen in je lichaam.
    • Vooral als vet.
    • Je wordt zwaarder.
      • Kan leiden tot overgewicht.
        Risico's:
        • meer kans op hart- en vaatziekten.
        • meer kans op een bepaald type suikerziekte.
  • Te weinig eten --> de reserves worden verbruikt --> je valt af.
    • Te veel afvallen is gevaarlijk.
      Je krijgt:
      • te weinig brandstoffen om spieren te laten werken.
      • te weinig bouwstoffen voor de cellen.
      • minder weerstand tegen ziekten.

Genotmiddelen

  • Geen voedingsstoffen.
    Bijvoorbeeld:
    • alcohol
    • drugs
    • tabak (nicotine)
  • Kunnen leiden tot:
    • verslaving.
      • Je wordt geestelijk en lichamelijk afhankelijk van het middel. Je kunt niet meer zonder.
    • gewenning.
      • Je wordt steeds minder gevoelig voor het middel en hebt er steeds meer van nodig (voor hetzelfde effect).
      • Dit kan ook bij overmatig gebruik van medicijnen gebeuren.
  • Gezondheidsrisico's
    • afsterven van hersencellen (vooral bij overmatig alcoholgebruik).
    • grotere kans:
      • op hart- en vaatziekten.
      • darmkanker.
      • longkanker.
Verteringsstelsel

Je moet de delen van het verteringsstelsel en de delen die met dit stelsel samenwerken (speekselklieren, alvleesklier en lever) ook in afbeeldingen kunnen aanwijzen.

Zie: Torso en Spijsverteringskanaal

Functies onderdelen

  • Mond
    • Kauwen voedsel met tanden en kiezen
    • Speeksel wordt toegevoegd.
      • Gemaakt in speekselklieren.
      • Bevat een enzym.
      • Maakt voeding vochtig en glad.
        • Makkelijker doorslikken.
      • Helpt bij het bestrijden van vreemde bacteriën.
      • Houdt gebit in goede conditie.
  • Slokdarm
    • Verbinding tussen mond en maag.
  • Maag
    • Maagsap wordt toegevoegd.
      • Gemaakt door maagsapkliertjes in de maagwand.
      • Bevat een enzym.
      • Bevat zoutzuur.
        • Daardoor is de maaginhoud zuur --> doodt bacteriën.
          • Voorkomt infecties door bacteriën in het voedsel.
  • Twaalfvingerige darm
    • Alvleessap wordt toegevoegd.
      • Gemaakt in alvleesklier.
      • Bevat verschillende enzymen.
      • Neutraliseert het zuur uit de maag.
    • Gal uit de galblaas wordt toegevoegd.
      • Gal wordt gemaakt in de lever.
      • Gal helpt enzymen bij het verteren van vetten.
        • Het verdeelt het vet in kleine druppeltjes (= emulsie).
          • Hierdoor kan het vetverterende enzym er beter op inwerken.
  • Dunne darm
    • Darmsap wordt toegevoegd.
      • Bevat verschillende enzymen.
      • Deze voltooien de vertering.
    • Verteerde voedingsstoffen worden in het bloed opgenomen.
      • Opgenomen voedingsstoffen gaan via de poortader naar de lever.
  • Dikke darm
    • Bevat bacteriën (darmflora).
      • Nuttig voor ons: ze maken een vitamine (vit K).
    • Water uit de voedselbrij wordt opgenomen.
      • De voedselbrij dikt in.
  • Endeldarm
    Bevat :
    • de onverteerbare resten uit het voedsel.
      • Onder andere de celwanden van planten (vezels).
    • de afvalstoffen die in de gal zitten (de gal geeft de poep een bruine kleur).

Overzicht vertering

onderdeel
spijsverteringskanaal

spijsverterings
klier
verterings
sap

koolhydraat

x = wordt verteerd
mond speekselklieren speeksel
x
-
-
slokdarm
-
-
-
-
-
maag maagwandkliertjes

maagsap met zoutzuur

-
x
-
twaalfvingerige darm

alvleesklier

alvleessap

x
x
x
dunne darm darmwandkliertjes darmsap
x
x
-
Verteerde stoffen worden opgenomen in het bloed.
dikke darm
-
-
Water teruggehaald naar het bloed
Het gebit

Gebit

Gebit van de mens

  • Hiermee kauw je het voedsel in kleine stukjes.
    Hierdoor:
    • wordt het voedsel gemengd met speeksel.
    • kunnen de enzymen er beter op inwerken.
  • Bestaat uit:
    • snijtanden.
    • hoektanden.
      • Met de tanden bijt je een stuk van het voedsel af.
    • kiezen
      • Met de kiezen maal je het voedsel.
        • --> nog kleinere stukjes.

Bouw van tanden en kiezen

  • Buitenlaag bestaat uit glazuur.
  • Daaronder zit tandbeen.
  • Binnenin: tandholte met:
    • zenuw en bloedvaten.
  • Kroon
    • Deel dat boven de kaak uitsteekt - het deel dat je ziet.
  • Wortel
    • Deel dat in de kaak zit.
      • Met cement.

    Tandbederf

  • Ontstaat door bacteriën in tandplak.
    • Kleverig laagje op de tanden en kiezen.
      • Daarin zitten bacteriën en voedselresten.
        • Bacteriën zetten suikers om in zuren.
        • De zuren tasten het glazuur aan en lossen het tandbeen op --> gaatjes .
  • Speeksel neutraliseert normaal de zuren.
    • Maar niet als je teveel zoet (suikers) eet.
  • Tanden poetsen --> verwijdert de tandplak.
    • Niet goed poetsen --> de tandplak wordt hard: tandsteen.
      • Kan ontsteking van het tandvlees veroorzaken.
  • Fluorbehandeling (of fluor in de tandpasta):
    • maakt het glazuur sterker.
      • Minder snel gaatjes.

© scholte/marree 2010