[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
 

Samenvatting examenstof biologie - VMBO - TL en GL

exameneenheid V2

Gedrag bij mens en dier

Centraal examen

Ontstaan van gedrag

Gedrag

  • Is alles wat een dier (en mens) doet (alle waarneembare activiteiten).
    • Reactie op prikkels.
  • Wordt bepaald door een inwendige prikkel (= motivatie) en een uitwendige prikkel.
    Voorbeelden
    • Jachtgedrag
      • Honger (inwendige prikkel)
      • --> het dier gaat op zoek naar eten (gedrag);
      • --> het dier ziet of hoort een prooi (uitwendige prikkel);
      • --> het dier vangt de prooi en gaat eten (gedrag).
    • Voortplantingsgedrag
      • geslachtshormonen (inwendige prikkels) --> veroorzaken de voortplantingsdrang.
        • Testosteron bij het mannetje en oestrogeen bij het vrouwtje.
      • Het dier gaat op zoek naar een partner (gedrag).
      • Het dier ziet, ruikt, voelt een partner met het juiste uiterlijk (uitwendige prikkel).
      • Paring (gedrag).

Prikkels

  • Een prikkel is een verandering in de omgeving die je met een zintuig kan waarnemen.

  • Uitwendige prikkels:
    • komen uit de omgeving.
      Bijvoorbeeld temperatuur, licht, geluid
    • worden waargenomen door zintuigen.
      Voorbeelden
      • oor: prikkel geluid;
      • oog: prikkel licht;
      • neus: prikkel geur;
      • tong: prikkel smaak;
      • huid: prikkel aanraking (tast) en temperatuur.

  • Inwendige prikkels:
    Voorbeelden
    • Honger--> voedselzoekgedrag;
    • Dorst --> drinken;
    • Hormonen --> voortplantingsgedrag.

  • Sleutelprikkel
    • Uitwendige prikkel die één bepaald gedrag veroorzaakt.
      Voorbeelden
      • Rode buik van stekelbaarsmannetje:
        is sleutelprikkel voor andere mannetjes --> aanval.
      • Sperren van jonge vogels:
        is sleutelprikkel voor de ouders --> gaan de jongen voeren.
    • Supranormale prikkel
      • Extra sterke sleutelprikkel.
        • Hierop volgt ook een sterker gedrag.

Gedrag kan zijn:

  • erfelijk (aangeboren) of aangeleerd.
    Meestal gaat het om een combinatie.
    Voorbeeld
    • Vinken zingen een basisliedje als ze geïsoleerd (zonder contact met soortgenoten) opgegroeid zijn, de volledige zang leren ze van soortgenoten


Sociaal gedrag

Sociaal gedrag

Voordelen

  • Samen is het veiliger.
    • Jongen kunnen beter beschermd worden.
    • De vijand wordt eerder opgemerkt en kan door de groep makkelijker verjaagd worden.
  • Samenwerking bij het verkrijgen van voedsel is mogelijk.

Nadelen

  • Voedsel moet gedeeld worden met soortgenoten.
  • Grotere kans op besmettelijke ziekten of parasieten.

Gedrag binnen groepen

  • Samenwerken (bijvoorbeeld bij het jagen).
  • Taakverdeling binnen een groep.
    • Bijvoorbeeld bij bepaalde insecten
      Een bijenvolk heeft:
      • een koningin om de eieren te leggen.
      • werksters om de larven te verzorgen, voedsel op te sporen en om het voedsel op te halen.
  • Rangorde
    • Er is in de groep een bepaalde rangorde, van hoog tot laag.
    • Rangorde wordt door gevechten vastgesteld.
    • Ieder dier kent zijn plaats.
    • Voorkomt voortdurende onderlinge conflicten.
  • Communicatie met soortgenoten door:
    • dreigen;
    • imponeren;
    • verzoenen;
    • onderwerpen.

Voorbeelden sociaal gedrag

  • Baltsgedrag - gedrag dat aan een paring vooraf gaat.
    • Voorkomt dat gepaard wordt met een niet-soortgenoot.
    • Vergroot de bereidheid tot paring van de partners (in de stemming komen).
    • Geeft de dieren een kans om de beste partner te kiezen.
  • Paringsgedrag
  • Broedzorg
    • Vergroot de kans dat het nageslacht groot wordt.
      • Bij warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) altijd broedzorg.
        • Eieren moeten warm gehouden worden.
        • Jongen moeten gevoerd worden.
      • Andere voorbeelden
        • Stekelbaarsmannetje verzorgt de eieren.
        • Bijen verzorgen de larven.
  • Territoriumgedrag
    • Territorium is een bepaald gebied door een dier wordt bezet.
      • Wordt verdedigd tegen binnendringende soortgenoten --> territoriumgedrag.

Sociaal gedrag bij de mens

  • Rolpatronen
    • Cultureel bepaald.
      Voorbeeld
      • De vrouw staat hoort achter het aanrecht, de man werkt buitenshuis.
    • Biologisch bepaald.
      • De vrouw krijgt de kinderen en voedt die.
  • Normen en waarden
    Bepaald door:
    • cultuur;
    • wetgeving;
    • gevoel;
    • tijd waarin we leven.
Leerprocessen
  • Inprenting
    • Het leren in een bepaalde gevoelige periode (als jong dier).
      Bijvoorbeeld het leren herkennen van de ouders.
      • kan niet meer worden afgeleerd.
  • Conditionering (africhting)
    • Van bestaande reflex wordt de prikkel veranderd.
    • Voorbeeld:
      • speekselreflex:
        • Oorspronkelijke prikkel is het zien of ruiken van voedsel.
        • Aangeleerd wordt het reageren op een andere prikkel, bijvoorbeeld geluid.
    • Nieuw gedrag kan ook aangeleerd worden door beloning of straf.
  • Imitatie (nadoen)
    • Leren door gedrag van soortgenoten na te doen.
  • Proefondervindelijk leren (leren door te proberen)
    • Uit ervaring leren wat wel en wat niet werkt.
      • "Door schade en schande wijs worden."
    • Alleen gedrag dat een beloning oplevert (bijvoorbeeld voedsel) wordt onthouden.
  • Inzicht
    • Het oplossen van een nieuw probleem door na te denken.
    • Zo kan dier zich goed aanpassen aan nieuwe onbekende omgeving
Mens en dier

Gedrag mens - dier

  • Overeenkomsten
    • Gedrag is voor deel erfelijk bepaald.
    • Veroorzaakt door prikkels.
      • Sleutelprikkels.
      • Supranormale prikkels.
    • Bepaalde typen gedrag komen bij mensen en dieren voor.
      Bijvoorbeeld:
      • baltsgedrag;
      • territoriumgedrag;
      • broedzorg;
      • imponeren;
      • verzoenen.
  • Verschillen
    • Inzicht heeft bij mensen een groter aandeel dan bij dieren.
      • Inzicht hebben betekent dat je in staat bent om in een nieuwe onbekende situatie goed te kunnen reageren.
    • Gedrag sterk beïnvloed doordat mensen hun natuurlijke omgeving veranderd hebben:
      • Huizen.
      • Verkeer.
      • Communicatiemiddelen.
    • Mensen (kunnen) zich meer bewust zijn van hun eigen gedrag.
      • Daardoor ook lastiger om dit gedrag te bestuderen.
Onderzoek doen

Zie techniekkaart 14.1

  • Gedrag
  • kan onderverdeeld worden in verschillende handelingen (gedragselementen).
  • de verschillende handelingen die je ziet kun je beschrijven.
    • Lijst met beschrijvingen wordt ethogram genoemd.
  • Aantal handelingen kunnen (in een vaste volgorde) na elkaar komen.
    • Een bepaalde handeling kan leiden tot een volgende handeling.
      Voorbeeld
      • Voortplantingsgedrag van het stekelbaarsje
        • Mannetje ziet vrouwtje met dikke buik (sleutelprikkel).
        • Mannetje gaat zigzag dans uitvoeren (baltsgedrag).
          • Probeert vrouwtje naar het nest te lokken.
        • Als vrouwtje volgt toont hij haar de nestingang
        • Vrouwtje kruipt het nest in.
        • Mannetje siddert (trilt) tegen de staart van het vrouwtje.
          • Sleutelprikkel voor vrouwtje om eieren te gaan leggen.
        • Mannetje zwemt daarna zelf door het nest om de eieren te bevruchten.
        • Mannetje jaagt vrouwtje weg.
      • De verschillende handelingen die op elkaar volgen zijn dus:
        • zigzag dans uitvoeren;
        • nest tonen aan vrouwtje;
        • door het nest zwemmen (en de eieren bevruchten);
        • vrouwtje wegjagen.

© scholte/marree 2010