[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Eiwitten

studiewijzer 5.1 (5 atheneum)

domein D5

Overzicht leerstof

 

Eiwitten (proteïnen)

Bouw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aminozuren en eiwitten (gebruik Binas of Biodata)

Eiwitten
  • zijn polymeren van verschillende aminozuren.
    Polymeren bestaan uit een groot aantal kleinere moleculen die allemaal min of meer hetzelfde zijn.
  • opgebouwd uit aminozuren
  • bevatten C, H, O en N atomen
  • in de restgroepen soms ook S
  • basisstructuur van een aminozuur:
    NH2-CHR(estgroep)-COOH
  • aminozuren worden aaneengekoppeld met peptidebindingen
    • Bij vormen van de peptidebinding komt water vrij --> consensatiereactie

    Molecuulstructuur

  • primaire structuur = volgorde (en aantal) van aminozuren
    • wordt bepaald door de volgorde van de basen A,T, G en C in het DNA
  • secundaire structuur = ruimtelijke spiraal (alpha-helix)
    ontstaat door : H-bruggen tussen de O en H atomen van de C=O en de N-H
  • tertiaire structuur = driedimensionale vouwpatroon
    ontstaat door: bindingen van bepaalde restgroepen door
    • H-bruggen
    • S-S-bruggen
      Deze verbindingen ontkoppelen bij denaturatie.
    • ion-bindingen tussen tegengesteld geladen groepen.
      De ion-bindingen zijn pH-afhankelijk.
  • quartenaire structuur = opbouw uit meerdere en/of verschillende polypeptideketens
    voorbeeld: hemoglobine

    Eigenschap van een eiwit wordt bepaald door :

    • welke aminozuren de keten vormen en het aantal aminozuren
    • de volgorde van de verschillende aminozuren
    • de molecuulstructuur

 

 

Functies

 Functies eiwitten

  • enzymen
    • eiwitten vormen het hoofdbestanddeel van de enzymen
    • enzymen werken als katalysatoren (reactieversnellers)
  • structuureiwitten
    • collageen
      • is zeer sterk en niet elastisch
      • zorgt voor samenhang in bijvoorbeeld de huid en in het bindweefsel
    • elastine
      • vormt elastische vezels in het bindweefsel
    • keratine
      • stevig, dient vooral ter bescherming
      • in haren, nagels, veren snavels
  • transporteiwitten
    • albumine voor het transport van stoffen
  • receptoreiwitten
    • in de membranen van cellen
  • plasma-eiwitten
    • belangrijk voor de osmotische druk in de haarvaten
    • stollingsfactoren zoals protrombine en fibrinogeen
  • antistoffen
    • immunoglobulinen

DNA en RNA

Bouw DNA en RNA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gebruik Binas of Biodata

Overzicht animaties en afbeeldingen moleculaire genetica

DNA = desoxyribonucleïnezuur (acid)
De bouw van het DNA
afbeelding DNA

  • dubbele streng nucleotiden in spiraal (dubbele helix)
  • nucleotide bestaat uit
    • desoxiribose (een mono-sacharide)
    • een fosfaatgroep
    • één van de organische stikstofbasen
      • adenine (A)
      • thymine (T)
      • guanine (G)
      • cytosine (C)
  • De twee ketens van het DNA zijn met elkaar verbonden met waterstofbruggen tussen de basen
    • adenine <--> thymine
    • guanine <--> cytosine
  • Drie opeenvolgende basen vormen een triplet (codon)
    • triplet bepaalt welk aminozuur in een eiwit ingebouwd wordt
    • volgorde van de tripletten bepaalt in welke volgorde de verschillende aminozuren aan elkaar gekoppeld worden en dus welke structuur het eiwit krijgt.
  • Eén keten vormt de template streng, de andere keten de coderende streng.

RNA = ribonucleïnezuur

afbeelding RNA
vergelijking RNA-DNA

  • enkele streng nucleotiden
  • nucleotide bestaat uit
    • ribose (een mono-sacharide)
    • een fosfaatgroep
    • één van de organische stikstofbasen
      • adenine (A)
      • uracil (U) in plaats van thymine (T)
      • guanine (G)
      • cytosine (C)
  • typen RNA
    • messenger-RNA (mRNA)
      • pre-mRNA:
        • is een kopie van een deel van het DNA (van een actief gen) --> pre-mRNA
        • Het pre-mRNA bestaat uit stukjes die coderen voor aminozuren (exons) en stukjes die geen code bevatten (introns) --> Introns en exons
      • mRNA:
        • Brengt de genetische code over naar het ribosoom.
        • bestaat alleen uit de exons.
      • Door op verschillende manieren exons te combineren kunnen uit één gen meerder typen mRNA gevormd worden en dus verschillende eiwitten gevormd worden.
    • transfer-RNA (tRNA)
      • zorgt voor transport van aminozuur naar het ribosoom
      • bevat één triplet
        • triplet (anticodon) bepaalt aan welk deel van het mRNA het gebonden wordt
          A <--> U
          G <--> C
      • ieder tRNA molecuul vervoert specifiek één bepaald aminozuur
    • micro-RNA (recent ontdekt)
      • klein stukje RNA (twintig tot vijfentwintig nucleotiden)
      • speelt een rol bij de regulatie
      • Codeert niet voor een eiwit, maar dekt delen van het in de cel aanwezige mRNA af.
        Remt daardoor de aanmaak van bepaalde eiwitten of verhindert die zelfs volledig. (rol bij het ontstaan van kanker).

Eiwitsynthese

Eiwitsynthese

Overzicht animaties en afbeeldingen moleculaire genetica

Eiwitsynthese

  • transcriptie
    afbeelding transcriptie
    • Er wordt RNA gemaakt van een deel (gen) van één streng van het DNA.
    • De gevormde streng is pre-mRNA.
    • Uit het pre-mRNA worden door enzymen en introns geknipt en de exons aan elkaar verbonden (splicing).
      De introns worden afgebroken.
    • Het mRNA dat zo ontstaat verlaat de kern via de poriën in de kernmembraan en gaat naar een ribosoom in het cytoplasma voor de translatie
  • RNA gaat via de poriën in het kernmembraan naar het cytoplasma --> naar een
  • translatie - het maken van eiwit
    afbeelding translatie
    • mRNA wordt door het ribosoom afgelezen
    • tRNA voert aminozuren aan
    • Anticodon van tRNA koppelt aan een triplet (codon) van het mRNA.
    • De aminozuren worden aan elkaar gekoppeld.
    • De eiwitvorming start vanuit het startcodon (het triplet AUG) in het mRNA
      en eindigt als in het mRNA een stopcodon zit.
      Er zijn drie verschillende stopcodons (UAA, UAG en UGA). Zie Binas of Biodata.
  • genregulatie

 

Enzymen

Bouw en werking

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Enzymen = biokatalysatoren versnellen chemische reacties

Bouw
  • bestaan uit een eiwitdeel en een co-enzym
    • co-enzym: een vitamine of een metaal-ion

    Werking

    Enzymen zijn:

  • substraatspecifiek
    • Door tertiaire structuur --> specifieke vorm --> passen maar op één substraat
      De ruimtelijke structuur van het enzym moet passen op het substraat om daarmee een binding te kunnen aangaan.
      Enzymwerking 1
    • enzym krijgt de naam van het substraat waarop het werkt + de toevoeging "ase"
      voorbeelden
      • sacharose --> sacharase
      • lipiden --> lipase
      • penicilline --> penicillinase
      • vorming DNA (replicatie) --> DNA-polymerase
      • vorming RNA (transcriptie) --> RNA-polymerase
  • reactiespecifiek
    • kunnen maar één bepaalde reactie versnellen.

    Enzymactiviteit is afhankelijk van:

  • de temperatuur (optimumkromme)
    • eiwitten veranderen bij hogere temperaturen van vorm (denaturatie) , de tertiaire structuur verandert --> passen niet meer op het substraat.
      Enzymwerking 2
    • door de hogere temperaturen worden de zwavelbruggen (S-S) verbroken
  • de pH (optimumkromme)
    • De pH heeft invloed op de ion-bindingen en daardoor op de bindingsmogelijkheden met een substraat
  • de enzymconcentratie.
    Hoe meer enzymmoleculen een binding met het substraat kunnen aangaan, hoe sneller de reactie.

  • Enzymen worden zelf tijdens de reacties niet verbruikt,
    kunnen dus meerdere substraatmoleculen omzetten.
  • Bepaalde geneesmiddelen en gifstoffen kunnen:
    • als enzymremmer werken (inhibitor)
      of
    • enzymen activeren (activator)

    Enzymen komen voor:

  • in de cel
  • in het verteringskanaal
    • voor afbraak van voedingsstoffen
  • Op bepaalde plaatsen zijn de enzymen in inactieve vorm aanwezig
    worden pas actief als er een tweede component bijkomt
    voorbeeld:
    • In het bloedplasma: stollingsenzymen
    • In het spijsverteringskanaal: verteringsenzymen

© scholte/marree 2008