[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
Termen en begrippen eindexamen biologie Havo - tweede fase 10 gaswisseling
Gaswisseling
diffusie Gaswisseling:
- uitwisseling van O2 en CO2door diffusie
wordt versneld door:- groot oppervlak van de longblaasjes
- dunne wand van de longblaasjes (korte afstand tussen lucht in de longen en het bloed in de haarvaten)
- stroming van het bloed --> er wordt steeds nieuw O2 - arm en
CO2 - rijk bloed aangevoerd (groot concentratieverschil tussen lucht in de longen en het bloed in de haarvatenadembewegingen
Bouw ademhalingsorganen - gebruik Binas of Biodata
Inademing - kost energie
- borstholte wordt groter
- long volgt de beweging
(borstvvlies en longvlies zitten aam elkaar gekleefd)- longinhoud wordt groter
- er ontstaat onderdruk
- lucht stroomt naar binnen
borstholte wordt groter door:
- middenrif naar beneden door spiersamentrekking van middenrifspieren
en- borstkas omhoog door samentrekking tusseribspieren
Uitademing - kost geen energie
- borstholte wordt kleiner
- long wordt kleiner
- lucht in de long komt in kleinere ruimte --> overdruk
- lucht stroomt naar buiten
borstholte wordt kleiner door:
- ontspannen spieren van middenrif --> middenrif omhooggedrukt door buikorganen onder druk elasticiteit van de buikwand
en- ontspannen tussenrif spieren --. ribben zakken door zwaartekracht naat beheden
Diepe uitademing - wel energieverbruik
- buikspieren trekken samen
- binnenste tussenribspieren trekken samen --> trekken ribben naar beneden
regeling
Onbewust - door ademcentrum (onderdeel autonome zenuwstelsel) - in hersenstam
- belangrijkste prikkel is CO2-gehalte van het bloed
- waargenomen door zintuigjes
- geven impulsen door aan ademcentrum
- dan via
orthosympatische (sneller) of parasympatische (langzamer) zenuw impulsen naar ademhalingsspieren- regeling via negatieve terugkoppeling
Bewust - door grote hersenen
volume
totale capaciteit
- hoeveelheid lucht die longen maximaal kunnen bevatten
- vitale capaciteit + restvolume
vitale capaciteit
- hoeveelheid lucht die maximaal uitgeademd kan worden na diepe inademing
- gebruikt bij sportkeuring
restvolume (residulucht)
- hoeveelheid lucht die na diepe uitademing nog in de long achterblijft
ademvolume
- hoeveelheid lucht die per ademhaling ververst wordt
ademminuutvolume
- hoeveelheid lucht die per minuut wordt ingeademd
dode ruimte
- ruimte in de luchtwegen (luchtpijp, bronchiën e.d.)
- speelt geen rol bij de gaswisseling