[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

 

Termen en begrippen eindexamen biologie Havo - tweede fase 11

Bloed en bloedsomloop 

Transport bij dieren

 

 

 bloedsomloop

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

dubbele bloedsomloop (grote - en kleine bloedsomloop

kleine bloedomloop

  • Bloed gaat van:
    rechterkamer--> long --> linkerboezem
  • O2 -opname uit de longblaasjes
  • CO2 - afgifte aan de longblaasjes

grote bloedsomloop

  • bloed gaat van linker kamer --> organen --> terug naar rechter boezem
  • O2 - afgifte aan de weefsels
  • CO2 - opnamen uit de weefsels

In schema richting van de bloedstroom kunnen aangeven (gebruik Binas of Biodata)

bouw bloedvaten

slagaders

  • bloed stroomt van het hart af
  • hoge bloeddruk
  • dikke gespierde wand
  • alleen kleppen aan begin aorta
  • zuurstofrijk
    behalve longslagders en bij foetus de navelstrengslagaders

aders

  • bloed stroomt naar naar het hart toe
  • lagere bloeddruk
  • dunne wand
  • kleppen aanwezig
  • zuurstofarm
    behalve lomgaders en bij foetus navelstrengaders

haarvaten

  • heel kleine vaatjes
  • wand is één cellaag dik
  • voor uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvloeistof

 

 hart en hartslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bouw - gebruik Binas of Biodata

  • rechterboezem - krijgt O2 -arm bloed uit de holle aders
  • rechterkamer - pompt bloed in de longslagaders
  • linkerboezem - krijgt O2- rijk bloed uit de longen
  • linkerkamer - pompt bloed in de aorta

Werking

kleppen

  • harttkleppen
    • tussen boezem en kamers
    • voorkomen terugstromen van bloed van kamer naar boezem
    • dicht tijdens samentrekken kamers
  • slagaderkleppen
    • kleppen aan begin van longslagaders en aorta
    • voorkomen terugstromen van bloed van slagaders naar kamers
    • dicht tijdens de hartpauze

hartslag

frequentie
  • aantal samentrekkingen per tijdseenheid
  • hart heeft eigen ritme (opgewekt vanuit sinusknoop)
  • versnellen o.i.v. orthosympatische zenuw (autonome zenuwstelsel)

    slagvolume

  • hoeveelheid bloed die per slag door een kamer weggeperst wordt
  • neemt bij avtiviteit toe

 

bloeddruk

 

bovendruk (systolisch) - tijdens samentrekken hartkamers

onderdruk (diastolisch - tijdens hartpauze

Bloedruk is het hoogst in de slagaders (hoe dichter bij het hart hoe hoger) en het laagst in de aders

 

 

 samenstelling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloed samenstelling

Bloedplasma
bestaat uit:

  • water (oplosmiddel)
  • zouten
  • bloedeiwitten (bijv, fibrinigeen - nodig bij bloedstolling)
  • hormonen
  • voedingsstoffen
  • afvalstoffen

Bloedcellen

  • rode bloedcellen
    • bevatten hemoglobine voor O2- transport
    • geen kern --> beperkte levensduur
    • worden afgebroken in de lever
    • gevormd in rood beenmerg
      vooral van platte beenderen
  • witte bloedcellen
    • afweer tegen infectieziekten
      - "opeten" ziekteverwekkers
      - vorming antistoffen
    • kunnen zich voortbewegen
    • gevormd in rood beenmerg
  • bloedplaatjes
    • rol bij bloedstolling
    • celfragmenten
    • gevormd in rood beenmerg

 

 functies bloed

 

 

 

 

transport

  • vervoer van O2 (m.b.v. hemoblobine) en CO2
  • vervoer van voedingsstoffen - vanuit darmen naar cellen van alle organen
  • vervoer van afvalstoffen ( bijv, melkzuur en ureum)
  • vervoer van hormonen

andere functies

  • afweer tegen infectieziektes
  • stollen (wondjes dicht maken) --> Bloedstolling
  • warmte verspreiden door het lichaam

 

 weefselvloeistof en lymfe

 

 

 

 

 

 

 

 

uitwisseling stoffen in de haarvaten (afbeelding)

Werking haarvaten (uitleg)
Lymfevaten

begin haarvaten

  • o.i.v. bloeddruk --> bloedplasma wordt uit de haarvaten geperst  --> bloeddruk neemt af, osmotische waarde neemt toe
    • bloedcellen en bloedeiwitten blijven in de haarvaten
    • uitgeperste vloeistof heet weefselvloeistof
      bevat voedingsstoffen voor de cellen
    • cellen nemen voedingsstoffen op en geven afvalstoffen af

eind haarvaten

  • deel van het uitgeperst water gaat door osmose terug naar het haarvat (osmotische waarde van bloed is hoger)
  • rest komt in lymfevat terecht --> lymfe
    lymfe komt via een omweg uiteindelijk weer in de bloedbaan terecht (vlak bij get hart