[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

 Samenvatting examenstof biologie Havo - vernieuwde tweede fase

Domein: D3

Stofwisseling van de mens: bloed en bloedsomloop

Centraal examen

Transport bij dieren

Je moet:

  • een schema van de bloedsomloop van zowel voor als na de geboorte, kunnen interpreteren:
    • de richting van de bloedstroom aangeven;
    • aders, slagaders en haarvaten herkennen;
  • de samenstelling van bloed in verschillende bloedvaten vergelijken ten aanzien van voedingsstoffen, zuurstof, koolstofdioxide en andere afvalstoffen.
  • de functie van de grote en kleine bloedsomloop kunnen uitleggen, waarbij gebruik kan worden gemaakt van verstrekte anatomische informatie
Gebruik Binas of Biodata.

Dubbele bloedsomloop (grote - en kleine bloedsomloop) (Ipad)

  • Kleine bloedomloop
    • Bloed gaat van rechterkamer--> long --> linkerboezem.
    • O2- opname vanuit de longblaasjes.
    • CO2- afgifte aan de longblaasjes.
  • Grote bloedsomloop
    • Bloed gaat van linker kamer --> organen --> terug naar rechter boezem.
    • O2- afgifte aan de weefsels.
    • CO2- opname uit de weefsels.

Bouw bloedvaten (Ipad)

  • Slagaders
    • Bloed stroomt van het hart af.
    • Hoge bloeddruk.
    • Dikke gespierde wand.
    • Alleen kleppen aan het begin van de aorta en de longslagader.
    • Zuurstofrijk.
      • Behalve longslagader en bij foetus de navelstrengslagaders.
  • Aders
    • Bloed stroomt naar het hart toe.
    • Lagere bloeddruk.
    • Dunne wand.
    • Kleppen aanwezig.
    • Zuurstofarm.
      • Behalve longaders en bij foetus navelstrengaders.
  • Haarvaten (Ipad)
    • Heel kleine vaatjes.
    • Wand is één cellaag dik.
    • Voor uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvloeistof.

Bloedsomloop voor de geboorte --> Hart en bloedsomloop blz. 6 en 7 (Ipad)

  • Navelstrengslagaders
    • Aftakking van de aorta.
    • Bevatten O2-arm en CO2-rijk bloed en veel afvalstoffen.
  • Navelstrengader
    • Komt uit in de onderste holle ader.
    • Bevat O2-rijk en CO2-arm bloed en veel voedingsstoffen.
  • Holle ader
    • Bevat een mengsel van O2-arm bloed uit het lichaam en O2-rijk bloed uit de navelstrengader.
  • Kleine bloedsomloop
    • Longen functioneren nog niet.
    • Er is:
      • een opening tussen de rechter boezem en linker boezem.
        en
      • een verbinding tussen de longslagader en de aorta.
        • Een groot deel van O2-rijke bloed komt direct (zonder de longen te passeren) in de grote bloedsomloop.

Bouw en werking van het hart
Je moet de pompwerking van het hart en de functie van kleppen in hart en vaten kunnen uitleggen en het drukverloop in het bloedvatenstelsel kunnen aangeven, waarbij gebruik kan worden gemaakt van verstrekte anatomische informatie.

Gebruik Binas of Biodata.

Bouw van het hart (Ipad)

  • Rechterboezem
    • Krijgt O2-arm bloed uit de holle aders.
  • Rechterkamer
    • Pompt bloed de longslagaders in.
  • Linkerboezem
    • Krijgt O2-rijk bloed uit de longen.
  • Linkerkamer
    • Pompt bloed de aorta in.

Werking van het hart (Ipad)

  • Kleppen
    • Hartkleppen
      • Kleppen tussen boezems en kamers.
      • Voorkomen terugstromen van bloed van kamer naar boezem.
      • Dicht tijdens het samentrekken van de kamers.
    • Slagaderkleppen
      • Kleppen aan begin van longslagader en aorta.
      • Voorkomen terugstromen van bloed van slagaders naar kamers.
      • Dicht tijdens de hartpauze en het samentrekken van de boezems.
  • Hartslagfrequentie
    • Aantal samentrekkingen per tijdseenheid.
    • Hart heeft eigen ritme.
      • Opgewekt vanuit sinusknoop.
    • Versnellen o.i.v. orthosympatische zenuw (autonome zenuwstelsel).
  • Slagvolume
    • Hoeveelheid bloed die per slag door een kamer weggeperst wordt.
    • Neemt bij activiteit toe.
  • Bloeddruk
    • Bovendruk (systolisch)
      • Tijdens samentrekken hartkamers.
    • Onderdruk (diastolisch)
      • Tijdens hartpauze.
    • Bloeddruk is:
      • het hoogst in de slagaders (hoe dichter bij het hart hoe hoger).
      • het laagst in de aders.
    • De rechter hartkamer is minder gespierd.
      • Daardoor is de druk in de longslagader lager dan in de aorta.

Bloedsamenstelling
Je moet bestanddelen van het bloed in afbeeldingen kunnen herkennen en de functie en plaats(en) van vorming van deze bestanddelen kunnen aangeven.

Bloed samenstelling (Ipad)

  • Bloedplasma
    Bestaat uit:
    • water (oplosmiddel);
    • zouten;
    • bloedeiwitten;
      • Bijvoorbeeld fibrinogeen - nodig bij bloedstolling.
    • hormonen;
    • voedingsstoffen;
    • afvalstoffen.
  • Bloedcellen
    • Rode bloedcellen
      • Bevatten hemoglobine voor O2-transport
      • Hebben geen kern --> beperkte levensduur.
      • Worden gevormd in rood beenmerg.
        • Vooral van platte beenderen.
      • Worden afgebroken in de milt.
    • Witte bloedcellen
      • Afweer tegen infectieziekten.
        • "opeten" ziekteverwekkers.
        • vorming antistoffen.
      • Bepaalde witte bloedcellen kunnen zich voortbewegen.
      • Gevormd in rood beenmerg
    • Bloedplaatjes
      • Rol bij bloedstolling.
      • Celfragmenten.
      • Gevormd in rood beenmerg.
Functies bloed
Je moet functies van het bloed kunnen aangeven: onder andere het transport van:
  • CO2 en O2;
  • voedingsstoffen;
  • afvalstoffen;
  • hormonen.
  • Transport
    Vervoer van:
    • O2;
      • M.b.v. hemoglobine.
    • CO2;
    • voedingsstoffen;
      • Vanuit darmen naar cellen van alle organen.
    • afvalstoffen;
      • Bijvoorbeeld melkzuur en ureum.
    • hormonen.

  • Andere functies
    • Afweer tegen infectieziektes.
    • Stollen (wondjes dicht maken) --> Bloedstolling (Ipad)
    • Warmte verspreiden door het lichaam.

Uitwisseling stoffen

Je moet:

  • met behulp van een afbeelding het verband kunnen aangeven tussen het bloedvatenstelsel en het lymfevatenstelsel.
  • kunnen aangeven door welke processen in de haarvaten weefselvloeistof ontstaat en welke processen een rol spelen bij de uitwisseling van stoffen tussen cellen en hun omgeving
    in het bijzonder:
    • diffusie, waaronder osmose;
    • actief transport;
    • bloeddruk.

Uitwisseling stoffen in de haarvaten (afbeelding)

Werking haarvaten (uitleg) (Ipad)

  • Begin haarvaten
    • O.i.v. bloeddruk --> bloedplasma wordt uit de haarvaten geperst  --> bloeddruk neemt af, osmotische waarde neemt toe.
      • Bloedcellen en bloedeiwitten blijven in de haarvaten.
      • Uitgeperste vloeistof heet weefselvloeistof.
        • Bevat voedingsstoffen voor de cellen.
        • Cellen nemen uit de weefselvloeistof actief voedingsstoffen op en geven afvalstoffen af.
  • Eind haarvaten
    • Deel van het uitgeperste water gaat door osmose terug naar het haarvat (osmotische waarde van bloed is hoger).
    • Rest komt in lymfevat terecht --> lymfe (Ipad).
      • Lymfe komt via een omweg uiteindelijk weer in de bloedbaan terecht (vlak bij het hart).

© scholte/marree 2008