[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
Samenvatting examenstof biologie Havo - vernieuwde tweede fase
Domein: E1
Dynamiek in ecosystemen Centraal examen
Je kunt uitleggen hoe een ecosysteem zich kan handhaven en ontwikkelen, en welke verstoringen daarbij kunnen plaatsvinden.
- Benodigde voorkennis uit onderbouw:
- de invloed van de mens op het milieu
- Benodigde voorkennis uit subdomein B1:
- biotische en abiotische factoren die een rol spelen in een ecosysteem.
Verstoringen ecosysteem Je moet bij een voorbeeld van een ecosysteem begrippen kunnen gebruiken die verband houden met handhaving, ontwikkeling en verstoring (o.a. door de mens)
in het bijzonder:
- verdroging;
- vermesting (eutrofiëring);
- verzuring;
- versnippering.
Verstoring van ecosysteem
- Verdroging
- Daling grondwaterpeil door:
- drinkwaterwinning;
- bewuste verlaging van de grondwaterstand voor de landbouw.
- Vermesting
- Overbemesting
Veroorzaakt door :
- toevoegen van meer voedingsstoffen (via mest) dan door de planten kan worden opgenomen.
- aanvoer van veevoer uit andere gebieden.
- gebruik kunstmest.
- Gevolg:
- uitspoeling.
- Meststoffen komen in het grondwater --> sloten en rivieren.
Dit leidt tot:- eutrofiëring
Voedselrijker worden van bodem en oppervlaktewater.
Gevolgen kunnen zijn:
- waterbloei - toename algen --> er dringt minder licht door in het water --> minder fotosynthese door ondergedoken waterplanten --> er komt minder zuurstof in het water.
- zuurstof tekort in het water - door reducenten wordt veel zuurstof verbruikt bij de omzetting van organische stoffen --> vooral 's nachts weinig zuurstof --> waterdieren gaan dood.
- minder soortenrijkdom.
- Alleen planten die goed tegen de overdaad aan meststoffen kunnen overleven.
- Verzuring
- Veroorzaakt door zure regen.
Ontstaat door:
- verbrandingsproducten van fossiele brandstoffen.
- Zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NO en NO2) afkomstig van:
- industrie;
- uitlaatgassen van auto's.
- ammoniak (NH3) uit de landbouw en vooral de bio-industrie.
- Gevolg:
- vrijkomen van giftige metalen in de bodem.
- Wortels van planten worden beschadigd.
- aantasten van de schors en de waslaag op bladeren van bomen --> minder weerstand.
- Versnippering
- Veroorzaakt door:
- meer ruimte voor woningen en wegen.
- meer ruimte voor landbouwgrond.
- Leidt tot:
- verkleining van de leefgebieden (arealen) --> minder stabiel natuurlijk evenwicht (gevoeliger voor verstoring).
- versnippering van de leefgebieden --> populaties worden gescheiden --> kleinere populaties (grotere kans op inteelt).
PopulatiesJe moet:
- veranderingen van de grootte van populaties kunnen verklaren met behulp van de begrippen:
- dichtheid;
- emigratie/immigratie;
- geboortecijfer/sterftecijfer.
- het verschil in populatiegroei bij beperkte en onbeperkte hulpbronnen kunnen aangeven
in het bijzonder: J- en S-curve.- kunnen aangeven waardoor onder bepaalde omstandigheden een populatie kan instorten.
Populatiegrootte
Wordt beïnvloed door:
- populatiedichtheid;
- Aantal individuen per oppervlakte-eenheid.
- emigratie;
- Aantal dieren dat definitief vertrekt naar een ander gebied.
- immigratie;
- Aantal dieren dat zich nieuw vestigt in het gebied.
- geboortecijfer;
- Aantal dieren dat per tijdseenheid (bijvoorbeeld per jaar) wordt geboren.
- sterftecijfer.
- Aantal dieren dat per tijdseenheid dood gaat.
Populatiegroei
- J-vormige groeicurve
- Bij onbeperkte hulpbronnen (overschot voedsel) --> populatie groeit exponentieel.
- S-vormige groeicurve
- Bij beperkte hulpbronnen --> evenwicht wordt bereikt.
Populatie kan instorten door:
- snelle toename aantal vijanden;
- ernstig voedselgebrek (na aanvankelijke snelle groei).
Instandhouding en ontwikkeling ecosysteemJe moet :
- kunnen uitleggen welke rol concurrentie (competitie) binnen en tussen populaties speelt bij de instandhouding en ontwikkeling van een ecosysteem.
- bij een voorbeeld van een ecosysteem de successie beschrijven en verklaren.
Stabiel ecosysteem
- Iedere factor blijft ongeveer constant, sterke schommelingen worden afgeremd --> natuurlijk evenwicht.
- Populatiegroei wordt afgeremd (negatieve terugkoppeling) door:
- voedselgebrek --> meer concurrentie;
- zwakke en ongezonde dieren worden als eerste gegeten (predatie);
- ruimtegebrek (voor territoria);
- ziekten;
- toename van het aantal vijanden.
- Populatieafname wordt geremd door:
- meer voedsel beschikbaar;
- meer ruimte beschikbaar.
Veranderend ecosysteem
- Verandering doordat organismen invloed op hun omgeving uitoefenen --> successie.
- Pioniersstadium
- Eenvoudig voedselweb.
- Weinig soorten (soortenarm - geringe diversiteit).
- Minder stabiel.
- Sterk wisselende abiotische factoren.
- Toename in biomassa.
- Climaxstadium
- Ingewikkeld voedselweb.
- Veel soorten (soortenrijk - grote diversiteit).
- Stabiel.
- Abiotische factoren veranderen matig.
- Biomassa blijft gelijk.
- Voorbeelden climaxstadium:
- tropisch regenwoud;
- loofbossen.