[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
Samenvatting examenstof biologie Havo - vernieuwde tweede fase
Domein: E3
Gedrag van mens en dier Centraal examen
Je hebt inzicht in de organisatie, ontwikkeling en functie van gedrag, en kent methoden die bij gedragsonderzoek gebruikt worden.Ontstaan van gedrag Je moet:
- voor concrete situaties gedrag kunnen beschrijven als een samenhangend geheel van elkaar opvolgende handelingen.
- voor concrete voorbeelden de relatie kunnen aangeven tussen gedrag en inwendige en uitwendige factoren
in het bijzonder:
- sleutelprikkel;
- motiverende factoren;
- daglengte;
- biologische klok;
- temperatuur.
Gedrag
- Alles wat een dier (en mens) doet (alle waarneembare activiteiten).
- Reactie op inwendige of uitwendige prikkel.
- Alleen als ook motivatie aanwezig is
Prikkels
- Inwendige prikkels - uit eigen lichaam
- Uitwendige prikkels - uit omgeving
Sleutelprikkel
- Prikkel uit omgeving die een specifiek gedrag veroorzaakt.
Voorbeelden
- Rode buik van stekelbaarsmannetje.
- Sleutelprikkel voor andere mannetjes --> aanval.
- Sperren van jonge vogels.
- Sleutelprikkel voor de ouders --> gaan voeren.
Motivatie (motiverende factoren)
- "Zin hebben in" (bereid zijn tot) een bepaald gedrag.
- Motivatie kan beïnvloed worden door:
- Inwendige factoren.
Bijvoorbeeld:
- honger;
- hormonen.
- Uitwendige factoren.
Bijvoorbeeld:
- daglengte;
- temperatuur.
Biologische klok
- Processen in een organismen, met een eigen vaste ritme.
- Bijvoorbeeld:
- 's nachts functioneert het lichaam anders dan overdag (dag/nachtritme).
- menstruatiecyclus (maandritme).
- vogeltrek (seizoensritme).
Leerprocessen Je moet kunnen aangeven dat gedrag voor een deel erfelijk is bepaald en voor een deel wordt veroorzaakt door leerprocessen
in het bijzonder:
- gewenning;
- inprenting;
- conditionering (klassiek en operant);
- imitatie;
- inzicht;
- trial-and-error/proefondervindelijk leren.
Gedrag kan zijn:
- aangeboren of aangeleerd.
- Meestal gaat het om een combinatie.
Voorbeeld
- Vinken zingen een basisliedje als ze geïsoleerd (zonder contact met soortgenoten) opgegroeid zijn, de volledige zang leren ze van soortgenoten.
Leerprocessen
- Gewenning
- Op een prikkel die vaak herhaald wordt, of permanent aanwezig is, wordt niet meer gereageerd.
- Inprenting
- Het leren in een bepaalde gevoelige periode (als jond dier.)
Bijvoorbeeld:
- het leren herkennen van de ouders.
- Kan niet meer worden afgeleerd.
- Conditionering
- Klassiek conditioneren
- Van bestaande reflex wordt de prikkel veranderd.
Voorbeeld:
- speekselreflex:
- Oorspronkelijke prikkel is het zien of ruiken van voedsel.
- Aangeleerd wordt het reageren op een andere prikkel, bijvoorbeeld geluid.
- Operant conditioneren
- Aanleren van nieuw gedrag door beloning of straf.
- Imitatie
- Leren door gedrag van soortgenoten na te doen.
- Inzicht
- In staat om in een nieuwe onbekende situatie verschillende ervaringen te combineren om tot een oplossing te komen.
- "Trial-and-error" - proefondervindelijk leren
- Leren uit ervaring.
- Alleen gedrag dat een beloning oplevert (bijvoorbeeld voedsel) wordt onthouden.
Sociaal gedragJe moet
- aan de hand van concrete voorbeelden verschillende vormen van sociaal gedrag en communicatie kunnen noemen en de functie daarvan kunnen aangeven.
- bij mensen en dieren in concrete (beschreven) situaties de rol kunnen aangeven van sociaal gedrag en communicatie bij taakverdeling en coördinatie
in het bijzonder:
- taakverdeling binnen groepen;
- balts, paringsgedrag en broedzorg;
- territoriumgedrag;
- rolpatronen, normen en waarden.
Sociaal gedrag
- Voordelen
- Samen is het veiliger.
- Jongen kunnen beter beschermd worden.
- Roofdier (predator) wordt eerder opgemerkt en kan door de groep makkelijker verjaagd worden.
- samenwerking bij het verkrijgen van voedsel is mogelijk
- Nadelen
- Voedsel moet gedeeld worden met soortgenoten.
- Grotere kans op besmettelijke ziekten of parasieten.
Gedrag binnen groepen
- Samenwerken (bijvoorbeeld bij het jagen).
- Taakverdeling binnen een groep
- Bijvoorbeeld bij bepaalde insecten
- Een bijenvolk heeft:
- een koningin om de eieren te leggen;
- werksters om de larven te verzorgen, voedsel op te sporen en om het voedsel op te halen.
- Rangorde (hiërarchie - "pikorde")
- Er is in de groep een bepaalde rangorde, van hoog tot laag.
- Rangorde wordt door gevechten vastgesteld.
- Ieder dier kent zijn plaats.
- Voorkomt voortdurende onderlinge conflicten.
- Communicatie met soortgenoten door:
- dreigen;
- imponeren;
- verzoenen;
- onderwerpen.
Voorbeelden sociaal gedrag
- Baltsgedrag - gedrag dat aan een paring vooraf gaat
- Voorkomt dat gepaard wordt met een niet-soortgenoot.
- Vergroot de bereidheid tot paring van de partners (in de stemming komen).
- Geeft de dieren een kans om de beste partner te kiezen.
- Paringsgedrag
- Broedzorg
- Vergroot de kans dat het nageslacht groot wordt.
- Bij warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) altijd.
- Eieren moeten warm gehouden worden
- Jongen moeten gevoerd worden.
- Bij andere diergroepen beperkt tot het uitzoeken van een veilige plaats voor de eieren.
- Verdergaande broedzorg komt ook wel voor.
Voorbeelden
- Stekelbaarsmannetje verzorgt de eieren.
- Bijen verzorgen de larven.
- Territoriumgedrag
- Territorium is een bepaald gebied door een dier wordt bezet.
- Wordt verdedigd tegen binnendringende soortgenoten --> territoriumgedrag.
Sociaal gedrag bij de mens
- Rolpatronen
- Stereotyp gedrag.
- Cultureel bepaald
Voorbeeld
- De vrouw staat hoort achter het aanrecht, de man werkt buitenshuis
- Biologisch bepaald.
- De vrouw krijgt de kinderen en voedt die.
- Normen en waarden
Bepaald door
- cultuur;
- wetgeving;
- gevoel.
- tijd waarin we leven.
Je moet op grond van waarnemingen aan het gedrag van dieren een ethogram kunnen opstellen en een protocol maken.