[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
Samenvatting examenstof biologie Havo - vernieuwde tweede fase
Domein: E4
Homeostase bij de mens: zintuigen Centraal examen
Zintuigen algemeenJe moet:
- bij de mens de relatie kunnen aangeven tussen zintuigen, zenuwstelsel en spieren/klieren. kunnen aangeven wat een prikkel is, wat een impuls is en wat de relatie tussen beide is. kunnen aangeven wanneer een impuls zal ontstaan door gebruik te maken van de begrippen:
- adequate prikkel;prikkeldrempel;
- gewenning.
- kunnen aangeven dat de mens zintuigen heeft voor het waarnemen van veranderingen in het inwendige en uitwendige milieu.
Prikkels
- Veranderingen in milieu.
- Uitwendige prikkel:
- verandering in de omgeving.
- Inwendige prikkel:
- verandering in het inwendige milieu.
Voorbeelden
- Hoeveelheid CO2 in het bloed.
- Lichaamstemperatuur.
Adequate prikkel
- Prikkel die bij een bepaald zintuig hoort.
- licht --> oog
- geluid --> oor
- geur --> neus
- smaak (zoet zuur zout en bitter) --> tong
- druk --> drukzintuigjes in huid
- temperatuur --> warmte- en koudezintuigjes in huid
- lichte aanraking --> tastzintuigjes in huid
- houding en beweging --> evenwichtszintuig (vlak bij het inwendige oor)
Prikkeldrempel
- Prikkel moet bepaalde sterkte hebben anders reageert het zintuig niet.
- Prikkelsterkte moet boven de prikkeldremoel (drempelwaarde) liggen.
Gewenning
- Zintuig geeft minder of geen impulsen door als een bepaalde prikkel steeds herhaald wordt.
Impuls
- Zwak elektrisch stroompje.
- Verloopt langs zenuwcellen.
Zintuig
- Neemt prikkel waar.
- Als prikkel boven de prikkeldrempel ligt, ontstaan impulsen.
- Aantal impulsen hangt af van de sterkte van de prikkel.
OgenJe moet
- de functie van de onderdelen van de ogen kunnen aangeven, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een afbeelding van de bouw van de ogen. kunnen aangeven hoe de ogen werken onder wisselende omstandigheden:
enige afwijkingen van de ogen kunnen beschrijven en kunnen uitleggen wat er tegen kan worden gedaan
- accommodatie;zien van kleuren en contrasten;
- pupilreflex.
in het bijzonder:
- verziendheid en bijziendheid;
- staar.
- kunnen aangeven dat gezichtsbedrog geen oogafwijking is, maar ontstaat in de hersenen.
Bouw oog (Ipad)
Gebruik Binas of Biodata.Functies onderdelen
- Oogspieren
- Draaien van het oog.
- Pupil
- Regelt de hoeveelheid licht die op het oog valt.
- Hoornvlies en glasachtig lichaam
- Lichtbreking (samen met lens).
- Ooglens
- Accommoderen.
- Zorgen voor een scherp beeld.
- Netvlies
- Waarnemen licht.
- Doorgeven van de impulsen naar de oogzenuw.
- Vaatvlies
- Bevat de bloedvaten.
- Traanklieren
- Maken traanvocht.
- Spoelt stof weg.
- Beschermt oogbol tegen uitdroging.
- Oogzenuw
- Geleidt impulsen naar hersenen.
Oog - werking lens
- Het boller maken van de lens.
- Bolle lens voor dichtbij kijken.
- Lichtstralen worden sterk afgebogen.
- Platte lens voor veraf kijken.
- Lichtstralen worden minder sterk afgebogen.
- Boller en platter worden door:
- straalvormig lichaam:
Bestaat uit:- accommodatiespier met lensbandjes.
Werking:
- dichtbij kijken
- Accommodatiespier trekt samen.
- Lensbandjes gaan slap hangen.
- Ooglens wordt boller.
- veraf kijken
- Accommodatiespier ontspant.
- Lensbandjes gaan strak staan.
- Lens wordt afgeplat.
Verziendheid
- Alleen in de verte goed scherp kunnen zien.
- Oorzaak:
- oogas is te kort of lens kan niet bol genoeg worden.
- Gecorrigeerd met:
- bolle (positieve) lens.
- Lens versterkt de werking van de ooglens
Ouderdomsverziendheid
- Bij het ouder worden neemt het accommodatievermogen af.
- Gecorrigeerd met:
- bolle (positieve) lens (leesbril).
Bijziendheid
- Alleen dichtbij scherp kunnen zien.
- Oorzaak:
- oogas is te lang of lens kan niet plat genoeg worden.
- Gecorrigeerd met:
- holle (negatieve lens).
- Lens doet tegenovergestelde als ooglens.
Staar - lens wordt ondoorzichtig
Gezichtsbedrog
- Geen oogafwijking - ogen nemen juist waar.
- Hersenen interpreteren verkeerd.
Oog - netvlies
- Zintuigcellen
- staafjes
- Zien van contrasten in zwart-grijs-wit.
- Gevoelig voor alle golflengtes van zichtbare licht --> geen kleuren mee waarnemen.
- Lagere drempelwaarde dan kegeltjes --> van belang voor zien in schemering.
- kegeltjes
- Zien van kleuren.
- Zitten vooral in de gele vlek.
Minder aan de zijkanten van het netvlies.
- Gevoelig voor licht van bepaalde golflengtes --> hiermee kleuren waarnemen.
- Drie typen kegeltjes:
voor blauw, rood en groen licht- Waarnemen van wit doordat alle drie de typen geprikkeld worden.
- Hogere drempelwaarde dan staafjes.
- Pigmentcellen
- Voor lichtabsorptie van licht dat langs de staafjes en kegeltjes gaat.
- Voorkomen terugkaatsen van licht.
- Ontbreken vaak bij nachtdieren --> licht wordt teruggekaatst --> licht passeert opnieuw de zintuigcellen.
- Gele vlek
- Deel netvlies in verlengde van de oogas.
- Bevat vrijwel alleen kegeltjes.
- Blinde vlek
- Plaats waar de oogzenuw het oog verlaat.
- Bevat geen zintuigcellen.
Oog - pupilPupilreflex (Ipad) (zie ook Bouw oog) (Ipad):
- Veel licht --> kleine pupil.
- Weinig licht --> grote pupil.
Reflex:- hoeveelheid licht wordt waargenomen door staafje en kegeltjes.
- Impulsen naar hersenen via sensorische zenuwuitlopers.
- Schakelcellen verwerken informatie.
- Impulsen via motorische zenuwuitlopers naar kringspiertjes van iris.
- Kringspiertjes trekken samen --> pupil wordt kleiner.
- Bij weinig licht:
- de lengtespiertjes van de iris trekken samen --> pupil wordt groter.