home]

[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie (CE)

Havo

Centraal examen (vanaf 2015)

Subdomein B3 - Stofwisseling van het organisme

B3.4 Vertering

Eindterm subdomein B3

De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.

Subdomein B3.4

Je kunt in een context:

  1. de bouw, werking en functie van spijsverteringsorganen  van eukaryoten, in het bijzonder van de mens, beschrijven;

  2. de relatie tussen de bouw van spijsverteringsorganen en hun functie beschrijven en de relatie tussen de bouw en werking uitleggen;

  3. beschrijven waar en op welke wijze voedingsstoffen verteerd en opgenomen worden en verklaren op welke wijze factoren dit kunnen beïnvloeden.

Deelconcepten
mechanische en chemische vertering, darmperistaltiek, voedingsstoffen, verteringssappen, gal, verteringsenzymen voor koolhydraten, eiwitten, vetten, vitamines, pH, temperatuur, verteringsproducten, emulgeren, resorptie, darmbacteriën.

Voedingsstoffen

Gebruik Binas of Biodata.

Organische stoffen:

  • Koolhydraten (sachariden)
    • Glucose (monosacharide)
      • Brandstof voor de cellen (dissimilatie).
      • Wordt opgeslagen als glycogeen.
        • In lever en spieren.
    • Zetmeel (polysacharide)
      • Wordt afgebroken tot glucose.
    • Cellulose (polysacharide)
      • Kan niet in ons lichaam verteerd worden.
      • Vezels voor de darmperistaltiek.
  • Vetten
    • Voor opbouw cellen (o.a. celmembraan).
    • Reservebrandstof.
    • Vetzuren en glycerol ontstaan na vertering van vetten.
      • Verzadigde vetzuren
        • Zitten vooral in dierlijke vetten.
        • Zijn een belangrijke oorzaak van een verhoogd cholesterolgehalte.
      • (meervoudig) Onverzadigde vetzuren
        • Zitten vooral in plantaardige vetten.
        • Verminderen de cholesterolafzetting tegen de wand van de bloedvaten.
      • Essentiële vetzuren
        • Kunnen niet in het lichaam gemaakt worden.
          • Moeten beslist in het voedsel zitten.
  • Eiwitten
    • Voor opbouw cellen en als enzymen.
    • Zijn opgebouwd uit aminozuren.
      • Ontstaan uit vertering van eiwitten.
    • Essentiële aminozuren
      • Kunnen niet door het lichaam worden gemaakt uit andere aminozuren.
      • Moeten beslist in het voedsel zitten.
    • Niet-essentiële aminozuren
      • Kunnen in de lever uit andere aminozuren worden gemaakt.
  • Vitamines
    • Stoffen die het lichaam meestal niet zelf kan maken.
    • Werken vaak als onderdeel van de enzymen.
    • Vitamines die wel in het lichaam gemaakt worden:
      • vit K
        • Wordt gemaakt door bacteriën in de dikke darm.
      • vit D
        • Wordt gemaakt in de huid onder invloed van het zonlicht.

Anorganische stoffen

  • Mineralen (zouten)
    • Belangrijke voorbeelden:
      • ijzer;
        • Voor de opbouw van de rode bloedcellen (hemoglobine).
      • jodium;
        • Onmisbaar bij de vorming van het schildklierhormoon.
      • calcium.
        • Voor de stevigheid van de botten.
  • Water
    • Belangrijke bouwstof voor cellen.
    • Oplosmiddel:
      • weefselvocht;
      • lymfe;
      • bloed.
Spijsvertering

Namen spijsverteringsorganen(Ipad)

Gebruik Binas of Biodata voor de namen en werking van enzymen.

  • Oplosbaar maken voedsel
    • Grote organische moleculen die niet door de membranen van cellen kunnen ---> kleine organische moleculen die wel (actief) door de membranen kunnen.
    • Gebeurt met behulp van enzymen(Ipad) uit spijsverteringsklieren:
  • Taken verteringskanaal
    • Voedsel wordt mechanisch bewerkt.
      • Hierdoor wordt het beter gemengd met de enzymen (betere vertering) en door het darmkanaal voortbewogen.
        • Kauwen.
        • Darmbewegingen (peristaltische bewegingen).
    • Voedsel wordt chemisch bewerkt (met enzymen).
      • Grote moleculen worden afgebroken tot kleinere moleculen.
    • Onverteerbare stoffen worden verwijderd (poep).
    • Afvalstoffen (gal) worden verwijderd.

  • Functies onderdelen
    • Mondholte
      • Speeksel toegevoegd.
      • Kauwen voedsel --> mechanische vertering.
    • Maag
    • Twaalfvingerige darm
      • Alvleessap toegevoegd.
        • Bevat verschillende enzymen:
        • neutraliseert zure maagsap
      • Gal uit de galblaas toegevoegd.
        • Gal wordt gemaakt in de lever.
        • Gal speelt een rol bij de vetvertering.
          • Emulgeert vetten zodat de enzymen er beter op in kunnen werken.
        • Bevat zelf geen enzym.
    • Dunne darm
      • Darmsap toegevoegd.
        • Bevat verschillende enzymen.
      • Verteerde voedingsstoffen worden in het bloed opgenomen.
    • Dikke darm
      • Bevat bacteriën (darmflora).
        • Maken vitamine K.
      • Water uit de voedselbrij wordt opgenomen.
    • Endeldarm
      Bevat :
      • de onverteerbare resten.
        • Onder andere de celwanden van planten (vezels).
      • de afvalstoffen die in de gal zitten (de gal geeft de uitwerpselen een bruine kleur).
Opname (resorptie) voedingsstoffen

Voedingsstoffen opgenomen (geresorbeerd)

  • Resorptie
    • Water en de in water oplosbare stoffen komen in het bloed
      • via de haarvaten in de darmvlokken.
        • aminozuren;
        • glucose en andere monosachariden;
        • vetzuren en glycerol;
        • mineralen (zouten);
        • in water oplosbare vitamines.
    • Vetten en in vet oplosbare stoffen komen in de lymfe terecht
      • via de lymfevaten in de darmvlokken.
        • De verteerde vetten (vetzuren en glycerol).
        • In vet oplosbare vitamines.
    • Gebeurt door:
      • actief transport;
        • kost energie
      • osmose van water.
  • Ook genotmiddelen (bijvoorbeeld alcohol) en geneesmiddelen worden opgenomen.
  • Ook gifstoffen worden opgenomen.
pijl terug

bioplek terug

© 2017 scholte/marree-bioplek.org