home]

[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie (CE)

Havo

Centraal examen (vanaf 2015)

Domein B4 - Zelfregulatie van het organisme

B4.1 Homeostase

Eindterm domein B4

De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren.

Subdomein B4.1

Je kunt in een context:

  1. het belang van de longen, lever, nieren, huid, zenuw- en hormoonstelsel voor de homeostase bij de mens beschrijven;

  2. de relatie tussen de bouw van de longen, lever, nieren en huid en de homeostase beschrijven;

  3. de principes van een regelkring toelichten (zie B4.3);

  4. de samenhang van de regeling van lichaamsprocessen herkennen.

Deelconcepten
zenuw-zintuigstelsel, hormoonstelsel, receptoren, inwendig en uitwendig milieu, regelkring, positieve en negatieve terugkoppeling, dynamisch evenwicht, pH, temperatuur, CO2- en O2-concentratie, glucoseconcentratie, osmotische waarde.

Homeostase

Homeostase

  • Het constant houden van het inwendig milieu.

Organen die een rol spelen:

  • huid;
    • Te hoge lichaamstemperatuur
      • Bloedvaatjes in de huid worden wijder --> meer warmteafgifte.
      • Zweetkliertjes produceren zweet (=transpiratie).
        • Verdampen van zweet onttrekt warmte aan de huid --> afkoeling.
    • Te lage lichaamtemperatuur
      • Bloedvaatjes in de huid worden nauwer --> minder warmteafgifte.
      • Spieractiviteit (klappertanden, rillen).
        • Warmte komt vrij bij verbranding.
      • Opzetten haren (speelt bij mens geen rol) --> dikkere vacht --> meer isolatie.
    • Handhaving lichaamstemperatuur zoogdieren en vogels (Ipad)
  • longen;
    • Afgifte van CO2.
    • opname vanO2 .
  • lever;
    • rol bij constant houden van glucoseconcentratie van het bloed.
  • nieren.
    • Constant houden van o.a.:
      • bloedruk;
      • osmotische waarde van het bloed;
      • pH van het bloed.
Regeling

Regeling via hormoonstelsen en zenuwstelsel

Hormoonstelsel

  • Werkt trager dan zenuwstelsel.
  • Werkt langduriger.

Hormonen

  • Zijn regelstoffen.
  • Van belang bij instand houden van een constant inwendig milieu (homeostase).
    Spelen rol bij o.a.:
    • osmotische waarde van het bloed;
    • pH van het bloed;
    • glucoseconcentratie van het bloed.
    • Regelen vaak in samenwerking met autonome het zenuwstelsel.
  • Worden gemaakt in hormoonklieren (exocriene klieren).
  • Worden meestal afgegeven aan en vervoerd door het bloed.
    • Daardoor weken ze niet zo snel.
  • Hebben een specifieke vorm.
    • Deze passen op receptoren op of in cellen van doelwitorganen.
    • Hebben alleen effect op die organen.
  • Concentratie van hormoon in het bloed bepaalt de mate van de reactie van de doelwitorganen.
    • Hormoon concentratie is erg belangrijk.
      • Te hoge of te lage concentratie kan ziekteverschijnselen tot gevolg hebben.
    • Hormoonconcentratie is niet constant.
      • Bepaalde hormonen hebben 's nachts een piek, andere bijvoorbeeld na het wakker worden.
        • Vast ritme (bioritme).
          • Verstoring kan leiden tot jetlag.
      • Hormonen van menstruatiecyclus hebben een maandritme.
        • Bij veel dieren is sprake van een seizoensgebonden ritme.
    • Wijziging in hormoonconcentratie kan sterke invloed hebben op stemmingen en humeur .
      • Verschilt van persoon tot persoon.

Zenuwstelsel

  • Werkt snel.
  • Zintuigen, zenuwen en hersenen.
    • Vooral via autonome zenuwstelsel.
Negatieve terugkoppeling

Regeling door negatieve terugkoppeling (Ipad)

  • Een hormoonklier maakt een bepaald hormoon.
  • Dat hormoon heeft een bepaald effect.
  • Dat effect heeft (direct of indirect) weer een remmende invloed op de hormoonklier --> de hormoonklier gaat minder van het hormoon maken.

bioplek terug

© 2016 scholte/marree-bioplek.org