home]

[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie (CE)

Havo

Centraal examen (vanaf 2015)

Domein B4 - Zelfregulatie van het organisme

B4.2 Hormonale regulatie

Eindterm domein B4

De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten
zichzelf reguleren.

Subdomein B4.2

Je kunt in een context:

  1. de principes van een regelkring in het hormoonstelsel toelichten (zie ook B4.1);

  2. de werking van hormoonklieren en hun specifieke hormonen beschrijven en afleiden hoe de doelorganen daarop reageren;

  3. het verband beschrijven tussen hormonale regulatie en het handhaven van homeostase.

Deelconcepten
hormoonklieren, hypothalamus, hypofyse, schildklier, nieren, bijnieren, eierstokken, teelballen, eilandjes van Langerhans, exocrien, endocrien, doelwitorganen, hormoonreceptor, hormoonconcentratie, insuline, glucagon, adrenaline, schildklierhormoon, EPO.

Hormoonklieren

Op kunnen zoeken in Binas of Biodata:

  • functie hormonen;
  • bijbehorende hormoonklier;
  • doelwitorgaan;
  • effect van het hormoon.

Hormoonproducerende organen

  • hypofyse;
    • Maakt o.a.
      • ADH (antidiuretisch hormoon);
      • FSH (follikelstimulerend hormoon);
      • LH (lute├»niserend hormoon);
      • SSH (schildklier stimulerend hormoon;
      • prolactine en oxytocine.
  • schildklier (Ipad);
    • thyroxine
  • eilandjes van Langerhans (Ipad);
    • insuline en glucagon
  • bijnieren
    • adrenaline
  • ovaria (eierstokken) (Ipad)
    • oestrogenen (oestradiol en oestron)
    • progesteron
  • testes (zaadballen)
    • testosteron
  • placenta (moederkoek)
    • HCG
Hypothalamus en hypofyse

Hypothalamus - hypofyse - systeem (Ipad)

Hypothalamus

  • Onderdeel van het centrale zenuwstelsel.
    • Zit in tussenhersenen.
  • Heeft directe verbinding met hypofyse.
    • Twee typen hormonen worden afgegeven.
      • Bepaalde cellen produceren hormonen die direct naar de hypofyse gaan.
        • Releasing hormonen
      • Andere cellen geven hormonen (neurohormonen) af aan het bloed.
    • Via deze hormonen wordt de hypofyse gestimuleerd of geremd
      (afhankelijk van de concentratie).
  • Reguleert ook een aantal processen.
    Bijvoorbeeld:
    • bloeddruk;
    • lichaamstemperatuur.

Hypofyse (Ipad)

  • Hersenaanhangsel
    • Ligt onder de hypothalamus.
  • Maakt verschillende hormonen.
    Enkele voorbeelden (gebruik Binas of Biodata)
    • Aansturen geslachtsklieren via:
      • FSH ( follikelstimulerend hormoon) (Ipad);
        • Stimuleert bij vrouw:
          • groei van follikel in ovaria;
          • afgifte van oestradiol door de follikelcellen.
        • Afgifte wordt geremd (negatieve feedback) door bepaalde concentratie oestradiol en progesteron.
        • Stimuleert bij man:
          • vorming van spermacellen in de testis.
        • Afgifte wordt geremd door testosteron.
      • LH ( luteïniserend hormoon);
        • Stimuleert:
          • ovulatie;
          • vormingen handhaving van het geel lichaam.
        • Afgifte van testosteron door de testes
        • Afgifte wordt geremd door oestradiol, progesteron, testosteron.
    • Aansturen schildklier via:
      • SSH (schildklier stimulerend hormoon) = TSH ( thyreotroop hormoon)
        • Stimuleert:
        • Afgifte wordt geremd door thyroxine.
Insuline en glucagon

Inhoud animaties homeostase (Ipad)

Alvleesklier met eilandjes van Langerhans

  • Glucoseconcentratie (bloedsuikerspiegel):
    • moet zoveel mogelijk constant blijven;
    • geeft direct invloed op de osmotische waarde van het bloed;
    • wordt geregeld via hormonen uit de eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier) (Ipad).
    • Lever en skeletspieren zijn de doelwitorganen.
      • Insuline
        • Verlaging van de glucoseconcentratie.
          • O.i.v. insuline wordt:
            • glucose opgenomen uit het bloed;
            • glucose omgezet in glycogeen.
              • Glycogeen wordt opgeslagen.
            • Insuline stimuleert ook de opname van glucose in andere lichaamscellen.
    • Glucagon
      • Verhoging van de glucoseconcentratie.
        • O.i.v. glucagon wordt:
          • glycogeen omgezet in glucose;
          • glucose afgegeven aan het bloed.
    • Insuline en glucagon werken als antagonisten.

Regelkring

Glucosegehalte in het bloed is te hoog.

  • Alvleesklier (eilandjes van Langerhans) registreert en produceert:
    • meer insuline;
    • minder glucagon.
  • Insuline komt via het bloed bij de lever en de spieren.
  • Glucose wordt uit het bloed opgenomen.
    • Opgeslagen als glycogeen.
  • Glucosegehalte van het bloed wordt lager.
  • Terugkoppeling (negatieve feedback) op de alvleesklier -->
    • minder insuline;
    • meer glucagon.
  • enzovoort
  • Gevolg is dat glucoseconcentratie schommelt rond een bepaalde waarde (de norm).
Schildklierhormoon

Schildklier (Ipad)

  • Vormt thyroxine.
    • Stimuleert:
      • dissimilatie van eiwitten en vetten;
      • vorming van eiwitten voor groei en ontwikkeling;
    • Remt de afgifte van SSH (schildklier stimulerend hormoon uit hypofyse.
  • Voor vorming is jodium nodig.
  • Joodgebrek heeft tot gevolg:
    • dwerggroei;
    • gewichtstoename;
    • opgezette schildklier.
      • Veroorzaakt door te hoge TSH-concentratie.
      • Hypofyse wordt niet meer afgeremd.
Hormonen voor de voortplanting

Gebruik Binas of Biodata

Menstruatiecyclus (Ipad)

  • Geregeld door hormonen.
    • FSH uit de hypofyse.
      • In gang zetten groei / rijpen follikel.
        • In de follikel zit de eicel.
      • Follikelcellen maken oestrogeen.
        • Functie:
          • in de baarmoeder wordt de slijmvlieslaag dikker.
          • ontstaan vrouwelijke secundaire geslachtskenmerken.
    • LH uit de hypofyse
      • Stimuleert de ovulatie (eisprong).
        • ± 14e dag van de cyclus.
      • Stimuleert na de ovulatie de vorming van het gele lichaam (uit de lege follikel).
      • Geel lichaam vormt progesteron (zwangerschapshormoon).
        • O.i.v. progesteron wordt het baarmoederslijmvlies nog dikker.
    • Via oestrogeen en progesteron negatieve terugkoppeling op de hypofyse.

    Hormonen bij zwangerschap

  • Embryo maakt HCG.
    • Kan in urine aangetoond worden:
      • zwangerschapstest.
    • Heeft dezelfde werking als LH.
      • Geel lichaam blijft intact in de eerste 3 maanden.
        • Blijft progesteron blijft maken:
          • er worden geen nieuwe eicellen rijp.
          • baarmoederslijmvlies blijft intact.
  • Placenta gaat progesteron maken.

Hormonen voor en na de bevalling

  • Prolactine
    • Gemaakt in hypofyse.
    • Zorgt voor:
      • groei van de melkklieren (voor de bevalling)
      • productie van melk (na de bevalling).
  • Oxytocine
    • Zorgt voor:
      • samentrekken van baarmoederwand tijdens bevalling
      • vrijkomen van melk uit de melkklieren (lactatie)
      • hechting met het kind.

Hormonen bij de man

  • FSH uit de hypofyse
    • zorgt voor aanmaak van zaadcellen in de zaadballen
  • Testosteron
    • Gemaakt de de zaadballen (testes).
      • In de cellen van Leijdig.
    • Geregeld door LH uit de hypofyse.
    • Functie:
      • stimuleert voor de geboorte ontwikkeling mannelijke geslachtsorganen
      • ontstaan van mannelijke secundaire geslachtskenmerken.
Adrenaline

Gebruik Binas of Biodata

Adrenaline (Ipad)

  • Vluchthormoon/Stresshormoon.
  • Wordt gemaakt en opgeslagen in bijnier(merg);
  • Komt vrij als je lichaam plotseling in actie moet komen'
    • Maakt het mogelijkheid snel te reageren.
      Bijvoorbeeld:
      • bij schrik;
      • in een angstige of spannende situatie;
      • als je ineens gaat rennen.
  • Heeft zelfde effect als orthosympatische zenuwstelsel.
    • Ondersteunt in noodgevallen de werking daarvan.
  • Heeft (als enige hormoon) een snelle en kortdurende werking.
    • Bevordert omzetting van glycogeen in glucose.
      • In lever en skeletspieren (zelfde effect als glucagon).
      • Afgifte van glucose door de lever.
    • Stimuleert hartactiviteit:
      • toename slagfrequentie;
      • toename hartvolume.
    • Stimuleert bloedvatverwijding in de skeletspieren en verhoogt spierspanning:
      "Je staat te trillen op je benen".
    • Zorgt verder voor:
      • verwijding van de bronchiën;
      • verwijden pupillen ( "schrikogen").
  • Bijniermerg produceert nog een overeenkomstig hormoon: nor-adrenaline.
    • Heeft hetzelfde effect.
EPO

EPO (erytroprot├źine)

  • Gevormd in de nieren.
    • Stimuleert de vorming van rode bloedcellen.
  • Gebruikt als doping

bioplek terug

© 2016 scholte/marree-bioplek.org