[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 




Stofwisseling

examenprogramma HAVO

Domein A

Eindtermen van het domein A1 'Vaardigheden' worden zowel in het schoolexamen als, voor zover van toepassing, in het centraal schriftelijk examen geëxamineerd.
De eindtermen worden geëxamineerd in combinatie met eindtermen uit de voor het centraal examen aangewezen deel van het examenprogramma.
Domein A2 domein wordt alleen in het SE getoetst.

Inhoud

Domein A1: Vaardigheden

Domein A2 : Analyse van en reflectie op natuurwetenschap en techniek

Domein A1: Vaardigheden

Subdomein A1.1: Taalvaardigheden

De kandidaat kan adequaat schriftelijk en mondeling communiceren over natuurwetenschappelijke onderwerpen.

De kandidaat kan zowel mondeling als schriftelijk:

  1. correct formuleren.
  2. conventies hanteren bij tekst- en alinea-opbouw, tekstsoort en uiterlijke presentatie.
  3. beknopt formuleren.
  4. taalgebruik afstemmen op het doel en het publiek.
  5. informatie inhoudelijk logisch presenteren.
  6. op adequate wijze informatie overbrengen
  7. een standpunt beargumenteren en verdedigen.
  8. verslag doen.

Subdomein A1.2 : Reken-/wiskundige vaardigheden

De kandidaat kan een aantal voor het vak relevante reken-/wiskundige vaardigheden toepassen om
natuurwetenschappelijke problemen op te lossen.

De kandidaat kan:

  1. basisrekenvaardigheden uitvoeren:
    • een (grafische) rekenmachine gebruiken;
    • rekenen met verhoudingen, procenten, machten, wortels.
  2. berekeningen uitvoeren met bekende grootheden en relaties en daarbij de juiste formules en eenheden hanteren.
  3. wiskundige technieken toepassen:
    • omwerken van eenvoudige wiskundige betrekkingen;
    • rekenen met evenredigheden (recht en omgekeerd);
    • kansrekening: productregel.
  4. afgeleide eenheden herleiden tot eenheden van het SI met behulp van omzettingstabellen.
  5. uitkomsten schatten en beoordelen.
  6. uitkomsten van berekeningen weergeven in een aanvaardbaar aantal significante cijfers:
    • een uitkomst mag één significant cijfer meer of minder bevatten dan op grond van de
      nauwkeurigheid van de vermelde gegevens verantwoord is.

Subdomein A1.3 : Informatievaardigheden

De kandidaat kan, mede met behulp van ICT, informatie selecteren, verwerken, beoordelen en presenteren.

De kandidaat kan

  1. informatie verwerven en selecteren uit schriftelijke, mondelinge en audiovisuele bronnen, mede
    met behulp van ICT.
  2. informanten kiezen en informanten bevragen.
  3. benodigde gegevens halen uit grafieken, tekeningen, simulaties, schema’s, diagrammen en tabellen en deze gegevens interpreteren, mede met behulp van ICT:
    • onder andere het in tabellen opzoeken van grootheden, symbolen, eenheden en formules.
  4. gegevens weergeven in grafieken, tekeningen, schema’s, diagrammen en tabellen, mede met behulp van ICT.
  5. hoofd- en bijzaken onderscheiden.
  6. feiten met bronnen verantwoorden.
  7. informatie en meetresultaten analyseren, schematiseren en structureren, mede met behulp van
    ICT.
  8. de betrouwbaarheid beoordelen van informatie en de waarde daarvan vaststellen voor het op te lossen probleem of te maken ontwerp.

Subdomein A1.4 : Technisch-instrumentele vaardigheden

De kandidaat kan op een verantwoorde manier omgaan met voor het vak relevante organismen en stoffen, instrumenten, apparaten en ICT-toepassingen.

De kandidaat kan:

  1. gebruik maken van stoffen, instrumenten en apparaten:
    • voor het in de praktijk uitvoeren van experimenten en technische ontwerpen met betrekking tot de in de domeinen B t/m E genoemde vakinhoud, voorzover veiligheid, milieueisen, kosten en beschikbaar instrumentarium dit toelaten;
    • onder meer: gebruik van loupe en microscoop.
  2. bij het raadplegen, verwerken en presenteren van informatie en bij het inzichtelijk maken van processen gebruik maken van toepassingen van ICT.
  3. gebruik maken van micro-elektronica systemen voor het meten en regelen van grootheden.
  4. aangeven met welke technieken en apparaten de belangrijkste grootheden uit de natuurwetenschappen worden gemeten.
  5. verantwoord omgaan met stoffen, instrumenten en organismen, zonder daarbij schade te berokkenen aan mensen, dieren en milieu.

Subdomein A1.5 : Ontwerpvaardigheden

De kandidaat kan een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren.

De kandidaat kan:

  1. een technisch probleem herkennen en specificeren.
  2. een technisch probleem herleiden tot een ontwerpopdracht.
  3. prioriteiten, mogelijkheden en randvoorwaarden vaststellen voor het uitvoeren van een
    ontwerp.
  4. een werkplan maken voor het uitvoeren van een ontwerp.
  5. een ontwerp bouwen.
  6. een ontwerpproces en -product evalueren, rekening houdende met ontwerpeisen en
    randvoorwaarden.
  7. voorstellen doen voor verbetering van het ontwerp.

Subdomein A1.6 : Onderzoeksvaardigheden

De kandidaat kan een natuurwetenschappelijk onderzoek voorbereiden, uitvoeren, de verzamelde onderzoeksresultaten verwerken en hieruit een conclusie trekken.

De kandidaat kan:

  1. een natuurwetenschappelijk probleem herkennen en specificeren.
  2. verbanden leggen tussen probleemstellingen, hypothesen, gegevens en aanwezige natuurwetenschappelijke voorkennis.
  3. een natuurwetenschappelijk probleem herleiden tot een onderzoeksvraag.
  4. hypothesen opstellen en verwachtingen formuleren.
  5. prioriteiten, mogelijkheden en randvoorwaarden vaststellen om een natuurwetenschappelijk onderzoek uit te voeren.
  6. een werkplan maken voor het uitvoeren van een natuurwetenschappelijk onderzoek ter beantwoording van een onderzoeksvraag.
  7. relevante waarnemingen verrichten en (meet)gegevens verzamelen.
  8. conclusies trekken op grond van verzamelde gegevens van uitgevoerd onderzoek.
  9. oplossing, onderzoeksgegevens, resultaat en conclusies evalueren.

Subdomein A1.7 : Maatschappij, studie en beroep

De kandidaat kan toepassingen en effecten van natuurwetenschappen en techniek in verschillende maatschappelijke situaties herkennen en benoemen. Tevens kan hij een verband leggen tussen de praktijk van verschillende beroepen en de eigen kennis, vaardigheden en attitude.

De kandidaat kan:

  1. toepassingen van de natuurwetenschappen herkennen in verschillende maatschappelijke situaties.
  2. maatschappelijke effecten benoemen van natuurwetenschappelijke en technologische toepassingen in verschillende maatschappelijke situaties.
  3. een relatie leggen tussen natuurwetenschappelijke kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen.
  4. een relatie leggen tussen eigen vaardigheden, kennis en attitudes èn de eisen van opleidingen en beroepsuitoefening.

Subdomein A1.8 : Vaardigheden, specifiek voor biologie

De kandidaat kan biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus met elkaar in verband brengen en de complexiteit van deze relaties aangeven.

De kandidaat kan:

  1. aangeven dat in de levende natuur relaties complex van aard zijn en dat verschijnselen vaak niet monocausaal kunnen worden verklaard, terwijl in onderzoek meestal één factor wordt onderzocht:
    • het geheel is meer dan de som van de delen: systeemdenken.
  2. biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus - cel, organisme, ecosysteem -
    met elkaar in verband brengen.

Domein A2 : Analyse van en reflectie op natuurwetenschap en techniek

Dit domein wordt alleen in het SE getoetst.

Subdomein A2.1: Kennisvorming

De kandidaat kan weergeven hoe natuurwetenschappelijke kennis ontstaat, welke
vragen natuurwetenschappelijke onderzoekers kunnen stellen en hoe ze aan
betrouwbare antwoorden komen.

De kandidaat kan:

  1. met voorbeelden uitleggen hoe natuurwetenschappelijke kennis tot stand komt
    en hierbij het cyclisch karakter van onderzoek aangeven:
    • theorieën als basis voor onderzoek;
    • uitvoering van experimenteel onderzoek;
    • aanpassing van de theorie op basis van de geïnterpreteerde resultaten.
      en een uitspraak doen over de betrouwbaarheid van een gegeven
      natuurwetenschappelijk onderzoek door het beoordelen van:
      • de bronnen en gegevens;
      • de werkwijze;
      • de interpretatie van de resultaten;
      • de presentatie van de conclusies.
  2. met voorbeelden het gebruik en de ontwikkeling toelichten van methoden,
    technieken, instrumenten en materialen en hierbij aangeven hoe deze
    ontwikkeling en de vakinhoudelijke kennisvorming van invloed zijn op elkaar,
    waar het gaat om:
    • onderzoeksmethoden en experimenteertechnieken;
    • methoden voor analyse en interpretatie;
    • instrumenten en materialen.
  3. met voorbeelden uitleggen wanneer onderzoek in interdisciplinair of
    multidisciplinair verband wordt opgezet en welke eisen deze samenwerking
    stelt aan de omgang met begrippen, modellen en onderzoek.
  4. met voorbeelden toelichten dat bij onderzoek van persoonlijke en
    maatschappelijke vragen kennis gebruikt kan worden uit meerdere
    vakgebieden, ook uit niet-natuurwetenschappelijke vakgebieden.
  5. met voorbeelden uitleggen hoe waarneming en theorievorming met elkaar
    samenhangen.

Subdomein A2.2: Toepassing van kennis

De kandidaat kan analyseren hoe natuurwetenschappelijke en technische kennis wordt
toegepast en kan reflecteren op de wisselwerking tussen natuurwetenschap, techniek
en samenleving.

De kandidaat kan:

  1. met voorbeelden uitleggen hoe natuurwetenschappelijke kennis toegepast
    wordt om maatschappelijk relevante producten en technieken te ontwikkelen,
    en aangeven hoe samenleving en technologische ontwikkelingen elkaar
    beïnvloeden.
  2. met voorbeelden toelichten dat de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke
    kennis niet vanzelf leidt tot nieuwe relevante toepassingen maar dat bij de
    ontwikkeling voldaan moet worden aan:
    • functionele criteria;
    • sociaaleconomische criteria;
    • ethische criteria.


Subdomein A2.3: De invloed van natuurwetenschap en techniek

De kandidaat kan oordelen over de betrouwbaarheid van toegepaste natuurwetenschappelijke kennis en een eigen mening overmaatschappelijknatuurwetenschappelijke vraagstukken vormen.

De kandidaat kan:

  1. een oordeel geven over de betrouwbaarheid van beweringen – waaronder ook
    de eigen beweringen- door passende criteria te hanteren bij het beoordelen
    van:
    • bronnen;
    • de kwaliteit van een product of techniek of behandeling;
    • de kwaliteit van onderzoek waaraan de bewering refereert.
  2. met voorbeelden de invloed -in verleden, heden en toekomst- toelichten van:
    • culturele, economische, maatschappelijke en politieke belangen op de ontwikkeling van natuurwetenschap en techniek;
    • natuurwetenschappelijke kennis en techniek op het dagelijks leven;
    • natuurwetenschappelijke kennis en techniek op het beeld dat mensen hebben van de natuur en hun eigen rol daarin.
  3. een standpunt innemen en beargumenteren over:
    • toepassingen van natuurwetenschap of techniek in de maatschappij;
    • het eigen leerproces in het omgaan met natuurwetenschappelijke kennis en techniek.