Gedrag
van mens en dier
centraal
examen
Je hebt inzicht in de
organisatie, ontwikkeling en functie van gedrag, en kent
methoden die bij gedragsonderzoek gebruikt worden.
Weten en
kunnen
Je kunt:
- voor concrete situaties
gedrag beschrijven als een samenhangend geheel van elkaar
opvolgende handelingen.
- voor concrete
voorbeelden de relatie aangeven tussen gedrag en
inwendige en uitwendige factoren
in het bijzonder:
- sleutelprikkel;
- motiverende factoren;
- daglengte;
- biologische klok;
- temperatuur.
- aangeven dat gedrag voor
een deel erfelijk is bepaald en voor een deel wordt
veroorzaakt door leerprocessen
in het bijzonder:
- gewenning;
- inprenting;
- conditionering
(klassiek en operant);
- imitatie;
- inzicht;
- trial-and-error/proefondervindelijk
leren.
- op grond van
waarnemingen aan het gedrag van dieren een ethogram
opstellen en een protocol maken.
- aan de hand van concrete
voorbeelden verschillende vormen van sociaal gedrag en
communicatie noemen en de functie daarvan aangeven.
- bij mensen en dieren in
concrete (beschreven) situaties de rol aangeven van
sociaal gedrag en communicatie bij taakverdeling en
coördinatie
in het bijzonder:
- taakverdeling binnen
groepen;
- balts, paringsgedrag
en broedzorg;
- territoriumgedrag;
- rolpatronen, normen
en waarden.
Informatie op
bioplek
Overzicht termen en begrippen