[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 




Dynamisch evenwicht

examenprogramma HAVO

Domein E4

Homeostase bij de mens

centraal examen

De kandidaat kan uitleggen hoe zintuigen, spieren en klieren, zenuwstelsel en hormoonstelsel betrokken zijn bij het functioneren van het lichaam, aangepast aan de omgeving.

Benodigde voorkennis uit onderbouw:

  • bouw en functie van spieren en klieren, zintuigen en zenuwstelsel

Weten en kunnen

Je kunt:

  1. bij de mens de relatie aangeven tussen zintuigen, zenuwstelsel en spieren/klieren.

  2. aangeven wat een prikkel is, wat een impuls is en wat de relatie tussen beide is.

  3. aangeven wanneer een impuls zal ontstaan door gebruik te maken van de begrippen:
    • adequate prikkel;
    • prikkeldrempel;
    • gewenning.

  4. aangeven dat de mens zintuigen heeft voor het waarnemen van veranderingen in het inwendige en uitwendige milieu.
  5. de functie van de onderdelen van de ogen aangeven, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een afbeelding van de bouw van de ogen.

  6. aangeven hoe de ogen werken onder wisselende omstandigheden:
    • accommodatie;
    • zien van kleuren en contrasten;
    • pupilreflex.

  7. enige afwijkingen van de ogen beschrijven en uitleggen wat er tegen kan worden gedaan
    in het bijzonder:
    • verziendheid en bijziendheid;
    • staar.

  8. aangeven dat gezichtsbedrog geen oogafwijking is, maar ontstaat in de hersenen.

  9. verstrekte gegevens over de indeling van het zenuwstelsel op grond van ligging en wijze van werken toepassen in beschreven situaties
    in het bijzonder:
    • centraal en perifeer zenuwstelsel;
    • animaal en autonoom (vegetatief) zenuwstelsel.

  10. de ligging van de volgende delen van het centrale zenuwstelsel aangeven en de functie beschrijven:
    • ruggenmerg;
    • hersenstam;
    • grote hersenen;
    • kleine hersenen.

  11. verstrekte informatie over de bouw van centraal en perifeer zenuwstelsel toepassen in beschreven situaties:
    • centraal: onder meer hersencentra, zenuwcellichamen, zenuwceluitlopers, motorische en
    • sensorische zenuwcellen en schakelcellen;
    • perifeer: onder meer zenuwceluitlopers van motorische en sensorische zenuwcellen.

  12. de functie van een zenuwcel aangeven, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een afbeelding van de bouw, met behulp van de volgende begrippen:
    • cellichaam;
    • uitlopers;
    • impulsgeleiding;
    • synaps.

  13. uitleggen waardoor de meeste impulsen niet leiden tot bewustwording.

  14. de betekenis van reflexen aangeven en hun functie bij houding, beweging en bescherming uitleggen.

  15. de functie van spieren en de wijze waarop spieren zich samentrekken, aangeven en de betekenis van spierantagonisten uitleggen, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een afbeelding van de bouw van een spier.

  16. verstrekte informatie over de functie van specifieke hormonen, de hormoonklieren die ze produceren en hun doelwitorganen toepassen in beschreven situaties.

  17. de kenmerken van hormonale regeling aangeven en het principe van een regeling uitleggen met gebruik van de volgende aspecten:
    • hormonen worden meestal aan het bloed afgegeven;
    • de concentratie van hormonen in het bloed is bepalend voor de mate van reactie van doelwitorganen;
    • negatieve terugkoppeling.

 

Informatie op bioplek

Overzicht termen en begrippen

Theorie

Overzicht zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel
Autonoom zenuwstelsel
Reflex
Kniepeesreflex
Pupilreflex

Spieren
Antagonisten

Zintuigen

Hormoonwerking