[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase

21. Bescherming van het interne milieu 

Huid

bouw

 

 

 

 

 

 

Bouw huid (gebruik Binas of Biodata)

  • opperhuid (dekweefsel)
    • hoornlaag - dode cellen
    • kiemlaag - delende cellen
      • in deze laag ook pigmentcellen
      • pigment wordt onder invloed van het zonlicht gevormd
        • beschermt tegen UV-straling
      • pigmentdichtheid is erfelijk bepaald

  • lederhuid (bindweefsel)
    • bloedvaten
    • zweetkliertjes
    • talgkliertjes
    • haarzakjes (van waaruit haren groeien)
    • zenuwen
    • tast-, druk- en temperatuurzintuigjes

  • onderhuids bindweefsel
    • hier vet opgeslagen in vetcellen
      functies:
      • isolatielaag
      • beschermd tegen stoten
      • voorraad brandstof


Handhaving temperatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoud animaties lichaamstemperatuur

handhaving lichaamstemperatuur zoogdieren en vogels

handhaving lichaamstemperatuur mens

te hoge lichaamstemperatuur
  • bloedvaatjes in de huid worden wijder --> meer warmteafgifte
  • zweetkliertjes produceren zweet (=transpiratie)
    • verdampen van zweet onttrekt warmte aan de huid --> afkoeling

    te lage lichaamtemperatuur

  • bloedvaatjes in de huid worden nauwer --> minder warmteafgifte
  • spieractiviteit (klappertanden, rillen)
    • warmte komt vrij bij verbranding
  • opzetten haren (speelt bij mens geen rol) --> dikkere vacht --> meer isolatie
Overige functies
van de huid

 

 

 

 

 

 

Functies huid:

  • beschermt tegen infecties
    • voorkomt binnendringen van micro-organismen (bacteriën, virussen, schimmels)
  • beschermt andere organen tegen beschadiging
  • beschermt tegen UV-straling uit het zonlicht
    • Ultraviolet licht kan het DNA in cellen beschadigen en huidkanker veroorzaken
    • vooral als huid weinig pigment bevat
    • pigment in de opperhuid neemt toe o.i.v. zonlicht
  • maakt vitamine-D (onder invloed van het zonlicht)
    • nodig voor ontwikkeling van het skelet

Afweer - Overzicht afweer

Organen afweer

 

overzicht animaties afweer

Organen die bij het afweersysteem betrokken zijn

  • rood beenmerg (in wervels, schedelbeenderen, platte beenderen en uiteinden pijpbeenderen)
    • stamcellen worden gevormd (door deling)
    • stamcellen kunnen zich tot elk type bloedcel ontwikkelen
      • afhankelijk van de plaats van ontwikkeling ontstaan T-lymfocyten of B-lymfocyten
  • thymus (zwezerik), milt en lymfeknopen
    • bevatten lymfocyten
    • spelen een rol bij de specifieke ontwikkeling en rijping van de lymfocyten


Cellen afweer

 

 

 

 

 

 

Cellen die een rol spelen bij de afweer (gebruik Binas of Biodata)

  • stamcellen
  • jonge, nog niet gedifferentieerde bloedcellen
    • in rood beenmerg
    • door deling ontstaan macrofagen en lymfocyten
  • macrofagen
    • vernietigen door fagocytose binnengedrongen ziekteverwekkers
    • presenteren antigenen van de ziekteverwekker (via hun membraan) aan T-helpercellen
  • T-lymfocyten
    • Th-cellen (helpercellen)
      • activeren Tc-cellen en B-lymfocyten
      • vooral deze cellen worden aangetast door het Aids-virus
    • Tc-cellen (cytotoxische T-cellen)
      • receptoren in membraan, hechten aan antigeen
      • doden aangetaste cellen en ziekteverwekkers
    • T-geheugencellen
      • Blijven na infectie bewaard
      • zorgen ervoor dat na een tweede infectie snel nieuwe T-cellen en antistoffen gemaakt worden --> snellere afweer
      • zowel van de Tc-cellen als van de Th-cellen blijven na infectie geheugencellen aanwezig.
  • B-lymfocyten
    • humorale immuniteit
    • in milt en lymfeknopen
      • plasmacellen
        • maken na infectie m.b.v. T-helpercellen antistoffen
        • een B-lymfocyt kan maar één type antistof maken
        • antistoffen maken ziekteverwekkende antigenen onschadelijk
      • B-geheugencellen
        • herkennen na volgende infectie antigeen en maken delen dan snel tot nieuwe B-lymfocyten --> snellere afweer

Aspecifieke afweer

 

 

 

 

 

Bescherming tegen binnendringen van micro-organismen door:

  • huid en slijmvliezen
  • maagzuur (HCl)
  • bloedstolling
  • koorts--> door hogere temperatuur snellere afbraak van de ziekteverwekkers door het lichaam
  • macrofagen
    • witte bloedcellen die door fagocytose de ziektekiemen onschadelijk maken
      • Fagocyten( macrofagen e.a.) kruipen rond tussen de cellen
      • eten alle vreemde en aangetaste cellen op
      • bieden antigenen van opgevreten indringers aan cellen van het specifieke afweersysteem aan
  • Natural-killercellen
    • doden ziekteverwekkers.


Specifieke afweer

 

 

 

 

 

 

 

 

Specifieke afweer - gebruik Binas of Biodata

  • Gericht tegen één bepaalde ziekteverwekker ( eigenlijk tegen één stof (antigeen) in de wand van de ziekteverwekker.
  • er blijven geheugencellen aanwezig;
    waardoor bij een volgende infectie (met dezelfde ziekteverwekker) sneller antistoffen kunnen worden geproduceerd
  • aanwezigheid van antistoffen (seropositief) wijst op besmetting met bepaalde ziektekiem

Humoraal:

  • antigenen dringen lichaam binnen
    kan zijn:
    • bacterie,
    • virus
    • andere voor het lichaam vreemde cellen (bijvoorbeeld bij transplantatie) of vreemde stoffen
  • antistoffen (immunoglobulinen) worden gevormd door B-cellen
    • worden daartoe aangezet door T-helpercellen
    • antistoffen worden afgegeven aan bloedplasma
    • na eerste besmetting komt antistofproductie langzaam op gang
    • bouw antistoffen
      • eiwitachtige stoffen
      • werken specifiek d.w.z. tegen één bepaald antigeen
    • door binding van antistof en antigeen wordt de ziekteverwekker onschadelijk gemaakt

Cellulair:

  • T-killer cellen hebben receptoren in de wand
  • haken vast aan antigenen in de wand van ziekteverwekkers of in de wand van door ziekteverwekkers aangetaste cellen --> vernietiging van die cellen


Kunstmatige immuniteit

 

 

 

 

 

 

Actieve kunstmatige immuniteit

  • vaccin wordt ingespoten
    • vaccin bevat dode of verzwakte ziektekiemen --> kunnen zich niet meer vermenigvuldigen
  • lichaam reageert als bij natuurlijke immuniteit:
    • antistoffen worden gevormd
    • geheugencellen blijven aanwezig
  • bij volgende infectie met dezelfde ziekteverwekker worden sneller antistoffen gevormd
  • levert langdurige immuniteit op
  • toepassen voordat er sprake is van infectie

Passieve kunstmatige immuniteit

  • antistoffen worden ingespoten via serum
    • serum is de bloedvloeistof die overblijft na stolling (bevat geen bloedcellen en stollingseiwitten)
    • zo verkregen antistoffen worden weer snel afgebroken
  • levert kortdurende immuniteit op
  • toepassen nadat er infectie is opgetreden

  • baby's worden passief immuun voor aantal ziekten via de placenta en later de moedermelk

    Infecties veroorzaakt door bacteriën (en schimmels) kunnen ook bestreden worden met antibiotica (geneesmiddel)

MHC-systeem

 

 

 

 

 

HLA-systeem

  • erfelijk
  • lymfocyten maken hierdoor onderscheid tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen

Receptoreiwitten

  • op de membraan van alle lichaamscellen
  • zijn specifiek per individu
  • zijn specifiek per type lichaamscel
  • worden na transplantatie herkend als antigenen

    typen

  • MHC-I eiwitten
    • werken samen met T-killer cellen (cytotoxische T-cellen)
  • MHC-II eiwitten

    MHC eiwitten veroorzaken:

  • afstotingsreacties na weefsel-en orgaantransplantatie
    • HLA-factoren van donor en acceptor komen dan niet overeen
    • met behulp van medicijnen kan de afstotingsreactie onderdrukt worden
      • daardoor ook verminderde afweer tegen ziekteverwekkers


Bloedgroepen

ABO-systeem 

 

 

 

bloedgroep antigeen

  • in membranen van rode bloedcellen

bloedgroep antistoffen

  • in bloedplasma

Bloedgroep A

  • antigeen A
  • antistof tegen B

Bloedgroep B

  • antigeen B
  • antistof tegen A

Bloedgroep AB

  • zowel antigeen A als antigeen B aanwezig
  • geen antistoffen tegen A of B

Bloedgroep O

  • geen antigenen aanwezig
  • antistof tegen A en B aanwezig


bepalen bloedgroep
bloedtransfusie

 

Resusfactor

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Resuspositief

  • resusantigeen in membraan rode bloedcellen
  • geen antistof

Resusnegatief

  • geen resusantigeen aanwezig
  • geen antistof aanwezig, tenzij na bloedtransfusie met resuspositief bloed

Probleem bij zwangerschap van:
resusnegatieve moeder met resuspositief kind (resuskind)

oorzaken:
  • moeder heeft na contact met resuspositief bloed de anti-resus antistof gemaakt
  • na eerdere zwangerschap met resuspositief kind heeft moeder na de geboorte de anti-resus antistof gemaakt
    • resus-antistof kan via de placenta in het lichaam van het kind komen --> klontering rode bloedcellen van het kind --> O2-tekort

    voorkomen:

  • moeder na geboorte direct een injectie geven met anti-resus antistof
    • eigen immuunsysteem wordt dan niet geactiveerd
      • geen productie van resus-antistof door moeder
      • ingebrachte antistoffen worden weer snel afgebroken (vergelijk passieve immuniteit)

© scholte/marree 2004