![]()
Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase Homeostase - zenuwstelsel en spieren
Zenuwstelsel
Regelkringen
Homeostase: constant houden van het inwendig milieu
Regelkring
- meten van een verandering in het interne of externe milieu
- door receptoren (zintuigcellen of sensoren)
- beoordeling van de waarneming
- door het centrale zenuwstelsel
- vergelijken met een interne norm
- is de normaalwaarde voor die bepaalde factor
- bij verschil met de interne norm
- stimuleren of remmen van effectoren (uitvoerders)
- spieren of klieren
- via motorische zenuwcellen of via hormonen
- reactie leidt tot opheffen of vermindering van het verschil met de norm
of zet andere regelkring in gang waardoor een nieuw evenwicht ontstaat- nieuwe waarde wordt door receptoren geregistreerd en teruggekoppeld naar het centrale zenuwstelsel
- opnieuw vergelijken, corrigeren, enzovoort
- regelkringen spelen o.a. een rol bij
- bloeddruk
- CO2-gehalte van het bloed
- glucosegehalte van het bloed
- osmotische waarde van het bloed
- lichaamstemperatuur
Indeling
Indeling op grond van ligging
- centraal zenuwstelsel
- hersenen
- grote hersenen
- kleine hersenen
- hersenstam
- ruggenmerg
- perifeer zenuwstelsel (= "aan de buitenkant")
- zenuwen
bevatten uitlopers van zenuwcellen
- sensorische zenuwcel
- motorische zenuwcellen
Indeling op grond van werking
- animale zenuwstelsel
- staat onder invloed van de wil
- regelt bewuste activiteiten
- bewegingen
- centra liggen voornamelijk in grote hersenen
- autonoom zenuwstelsel
- staat niet onder invloed van de wil
voor onbewuste functies- verantwoordelijk voor werking en coördinatie van inwendige organen
o.a.
- hartslag
- spijsvertering
- centra in hersenstam
Centraal zenuwstelsel
Bouw - gebruik Binas of Biodata
Grote hersenen
Bevat
- schakelcellen
- cellichamen in de schors (grijze stof aan de buitenkant)
- uitlopers in het merg (witte stof in het binnenste deel)
- cellichamen van motorische en sensorische zenuwcellen
Functie
- verwerking van waarnemingen
- impulsen uit zintuigen komen via uitlopers van sensorische zenuwen binnen in zintuigcentra (sensorische centra)
- vanuit bewegingscentra (motorische centra) gaan impulsen via motorische zenuwcellen naar spieren
- verbindingen tussen de verschillende onderdelen worden verzorgd door schakelcellen
- opwekken van impulsen
o.a. in
- bewegingscentra
- bewustzijn, geheugen, wil, denken
Kleine hersenen
- coördinatie van spierbewegingen
Hersenstam
- is voortzetting van ruggenmerg
- bevat centra van autonome zenuwstelsel
o.a. voor
- ademhaling
- lichaamstemperatuur
- aantal reflexen verloopt via hersenstam
o.a.
- pupilreflex
Ruggenmerg
- in wervelkolom
- bevat cellichamen van motorische zenuwcellen en schakelcellen (in grijze stof)
- cellichamen van sensorische zenuwcellen in verdikking aan de rugkant
- reflexen (vanaf de hals) verlopen via ruggenmerg
- schakelcellen geven impulsen van en naar de hersenen door
Autonoom zenuwstelsel
Bestaat uit:
- orthosympatisch deel en parasympatisch deel
- naar ieder orgaan (doelwitorgaan) gaat een orthosympatische zenuw én een parasympatische zenuw (dubbele innervatie)
- deze hebben een tegengestelde werking
orthosympatisch zenuwstelsel
functie (gebruik Binas of Biodata)
- stimuleert organen die met activiteit te maken hebben
o.a.
- versnelling ademhaling
- versnelling hartslag
- verhoging dissimilatie (om energie vrij te maken)
- remt (vertraagt) spijsvertering
parasympatisch zenuwstelsel
functie (gebruik Binas of Biodata)
- stimuleert spijsvertering
- remt (vertraagt) hartslag en ademhaling
Zenuwcellen
Bouw - gebruik Binas of Biodata
zenuwcel
bestaat uit:
- cellichaam
hierin zit de kern- uitlopers
- met myelineschede
- snelle impulsgeleiding
- lange uitlopers van zintuigen en naar spieren
- zonder myelineschede
- langzamere impulsgeleiding
- contacten met andere zenuwcellen in centraal zenuwstelsel
- synapsen
- contactplaats met andere zenuwcel
- motorische eindplaatjes
- alleen bij motorische cellen
- impuls wordt overgedragen op spier
Typen zenuwcellen:
schakelcellen
- komen (vrijwel alleen) in het centrale zenuwstelsel voor
zowel cellichamen als uitlopers- maakt contact met andere zenuwcellen
Er zijn
- stimulerende schakelcellen
- met exiterende neurotransmitters
- remmende schakelcellen
- met inhiberende neurotransmitters
sensorische zenuwcellen
- cellichamen in een verdikking (spinaal ganglion) aan de rugkant van het ruggenmerg
- één lange uitloper
- hierin lopen de impulsen van zintuig naar centraal zenuwstelsel (ruggenmerg of hersenen)
- korte uitlopers
- geeft impulsen door aan schakelcellen of motorische zenuwcellen
motorische zenuwcellen
- cellichamen liggen in het centrale zenuwstelsel
- één lange uitloper
- hierin lopen de impulsen van centraal zenuwstelsel naar spieren (of klieren)
- korte uitlopers:
- ontvangen impulsen van schakelcellen of sensorische zenuwcellen
Werking zenuwcel Rustpotentiaal
- concentratie K+ -ionen in de cel is hoger dan buiten
- concentratie Na+- ionen buiten de cel is hoger dan binnen
- in de cel relatief veel negatief geladen eiwitmoleculen en weinig Cl-- ionen
- buiten de cel veel Cl--ionen en weinig negatief geladen eiwitmoleculen
effect:- binnenkant negatief en buitenkant positief
- potentiaalverschil
- situatie wordt gehandhaafd door de Na/K-pomp
- enzymatische pomp
- energie uit ATP
- werkt actief Na+-ionen de cel uit
- brengt K+-ionen de cel in
- het handhaven van de rustpotentiaal kost dus energie
- plaatselijke omkering van het membraanpotentiaal
- ontstaat als prikkel sterk genoeg is - boven de prikkeldrempel
- zenuwcel heeft na ieder actiepotentiaal een korte herstelperiode nodig; kan dan niet geprikkeld worden
- sterkte is altijd gelijk - "alles of niets"
- bij sterkere prikkel ontstaan meer actiepotentialen per tijdeenheid - de impulsfrequentie neemt toe
- de doorlaatbaarheid van het membraan verandert
onder invloed van
- geprikkelde zintuigcel
- stimulerende neurotransmitter in een synaps
- kan ook "kunstmatig
mechanische prikkel, chemische prikkel, stroomstootjes- Na+- ionen diffunderen de cel in --> depolarisatie van het membraan
- het potentiaalverschil wordt minder
- als drempelwaarde wordt bereikt
- Na-kanaaltjes open
- nog meer Na+ naar binnnen
- verdere depolarisatie
- ompoling: omkering potentiaalverschil ten opzichte van de rustpotentiaal
- impuls ontstaat
- elektrisch stroompje tussen het omgepoolde deel celmembraan en de stukjes membraan ter weerszijden
- stroompjes zorgen daar voor ontstaan van een actiepotentiaal
- actiepotentialen ontstaan dus steeds opnieuw
Repolarisatie - herstel van de rustpotentiaal - herstelfase
- Na+-ionen worden weer naar buiten en K+-ionen weer naar binnen gepompt
- tijdens de herstelfase is celmembraan ongevoelig voor prikkels
- refractaire periode
- absolute refractaire periode
- er kan geen nieuwe impuls ontstaan, hoe sterk de prikkel ook is
- relatieve refractaire periode
- er kan wel prikkel ontstaan als de prikkel sterker is dan "normaal"
De meeste impulsen leiden niet tot bewustwording
- hersenen selecteren
alleen belangrijke verandering in omgeving leidt tot waarneming (en eventueel reactie- impulsfrequentie neemt af als bepaalde prikkel lang aanhoudt (gewenning)
Synaps - verbreed deel aan einde van uitloper van zenuwcel
- impulsoverdracht op andere zenuwcel
- er kunnen maar in één richting impulsen doorgegeven worden
- tussen de twee zenuwcellen zit een synapsspleet
- impuls --> neurotransmitter uit synaps komt in de spleet terecht
- concentratie afhankelijk van impulsfrequentie
- 2 typen neurotransmitters
- stimulerend (exiterend)
- zorgen voor afname van het potentiaalverschil (depolarisatie)
- remmend (inhiberend)
- toename van het potentiaalverschil
- in volgende zenuwcel ontstaat een actiepotentiaal als
- meer stimulerende dan remmende neurotransmitters vrijkomen uit de synapsen van verschillende neuronen die met de zenuwcel in verbinding staan
Reflexen
reflexboog - snelle (automatische) reactie op bepaalde prikkel
bijvoorbeeld:reflexen zijn belangrijk
- bij lichaamshouding
- als bescherming
bijvoorbeeld als je per ongeluk iets heets aanraakt- bij bewegingen
coördinatie van spieren
bijvoorbeeld bij lopen en fietsenSpieren
Bouw en werking Animatie spier (bouw en werking)
Gladde spieren (spieren van maag en darmen)
- werken onwillekeurig - niet onder invloed van de wil
- verbonden met autonome zenuwstelsel
- tragere werking
- kan langer samengetrokken blijven (is minder snel vermoeid)
Dwarsgestreepte spieren (skeletspieren en hartspier)
- werken onder invloed van de wil (willekeurig)
- verbonden met animale zenuwstelsel
- spier kan alleen actief samentrekken - niet ontspannen --> andere spier nodig met tegengestelde werking - antagonist
- hartspier is uitzondering
- holle spier
- niet onder invloed van de wil - verbonden met autonome zenuwstelsel
Bouw - gebruik Binas of Biodata
- spierbundels omgeven door bindweefsel
- bestaan uit spiervezels
- bestaan uit myofibrillen
- bestaan uit filamenten
- kunnen langs elkaar schuiven
- impulsen bereiken spier via eindplaatjes van de motorische eenheden
- motorische eenheid
- motorische zenuwcel met eindplaatje + bijbehorende spiervezels
- er zijn (meestal) meerdere spiervezels op één zenuwcel aangesloten
- "alles of niets wet" geldt --> volledige samentrekking of geen samentrekking
- spierbundel bestaat uit een groot aantal motorische eenheden
- trekken zich afwisselend samen
- mate van samentrekking van spierbundel is afhankelijk van
- het aantal motorische eenheden dat impulsen doorgeeft
- de impulsfrequentie
![]()