[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase

18. Homeostase - zintuigen

zintuigen (receptoren)

Algemene kenmerken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zintuig (receptor)

  • neemt informatie (prikkel) uit de omgeving waar
  • prikkels worden omgezet in impulsen
    • elektrische stroompjes
  • prikkel moet boven de prikkeldrempel (drempelwaarde) liggen
    • als prikkelsterkte onder de drempelwaarde ligt reageert het zintuig niet
  • impulsen worden door de zenuwcellen doorgegeven aan het centraal zenuwstelsel
  • sterkte van de impuls is altijd hetzelfde
  • aantal impulsen hangt af van de sterkte van de prikkel
    • hogere impulsfrequentie bij een sterkere prikkel

Prikkels: veranderingen in milieu

  • uitwendige prikkel
    • verandering in omgeving
  • inwendige prikkel
    • verandering in inwendige milieu
      bijvoorbeeld:
      • hoeveelheid CO2 in het bloed
      • lichaamstemperatuur

Adequate prikkel: 

  • prikkel die bij een bepaald zintuig hoort
    • licht --> oog
    • geluid --> oor
    • geur --> neus
    • smaak (zoet zuur zout en bitter) --> tong
    • druk --> drukzintuigjes in huid
    • temperatuur --> warmte- en koudezintuigjes in huid
    • lichte aanraking --> tastzintuigjes in huid
    • houding en beweging --> evenwichtszintuig (vlak bij het inwendige oor)

Gewenning

  • zintuig geeft minder of geen impulsen door als een bepaalde prikkel steeds herhaald wordt
    • drempelwaarde is dan verhoogd

     


Oog - bouw

 

 

 

 

 

 

 

 

Bouw oog - gebruik Binas of Biodata

Functies onderdelen

  • oogspieren: draaien oog
  • pupil: regelen hoeveelheid licht die op het oog valt
  • hoornvlies en glasachtig lichaam: lichtbreking (samen met lens)
  • lens: accommoderen
  • netvlies: waarnemen licht
    omzetten in impulsen
  • vaatvlies: bevat de bloedvaten
  • traanklieren - maken traanvocht
    • spoelt stof weg
    • beschermt oogbol tegen uitdroging
  • oogzenuw - geleidt impulsen naar hersenen
    • naar gezichtscentrum
Oog - werking lens

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Accommodatie = het boller maken van de lens

Lens kan boller en platter worden

  • brandpuntsafstand wordt aangepast
    • bolle lens voor dichtbij kijken
      • lichtstralen worden sterk afgebogen
    • platte lens voor veraf kijken
      • lichtstralen worden minder sterk afgebogen

boller en platter worden door:

  • straalvormig lichaam
    bestaat uit:
    accommodatiespier (ciliairspier) met lensbandjes

    werking:
    dichtbij scherp zien
    • accommodatiespier trekt samen
    • lensbandjes gaan slap hangen
    • ooglens wordt boller
      • door eigen elasticiteit

    veraf scherp zien

    • accommodatiespier ontspant
    • lensbandjes gaan strak staan
    • lens wordt afgeplat
      • doordat de lensbandjes er aan trekken

Verziendheid

  • alleen in de verte goed scherp kunnen zien
    oorzaak:
    • oogas te kort
      of
    • lens kan niet bol genoeg worden

    verbeteren

    • met bolle (positieve) lens
      • lens is aan de randen dunner dan in het midden
    • lens versterkt de werking van de ooglens

    ouderdomsverziendheid

    • lens verandert --> kan minder goed bol worden

Bijziendheid

  • alleen dichtbij scherp kunnen zien
    oorzaak:
    • oogas te lang
      of
    • lens kan niet plat genoeg worden

    verbeteren met:

    • holle (negatieve lens)
      • lens is aan de randen dikker dan in het midden
    • lens doet tegenovergestelde als ooglens

Staar - lens wordt ondoorzichtig


Oog - netvlies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bouw netvlies - gebruik Binas of Biodata

Netvlies bestaat uit:

  • pigmentlaag
    • bevat pigmentkorrels
      • voor lichtabsorptie
      • kunnen zich verplaatsen
        • bij veel licht tussen de zintuigcellen
        • bescherming van de zintuigcellen
      • ontbreken vaak bij nachtdieren
        • licht wordt teruggekaatst en passeert opnieuw de zintuigcellen
  • zintuiglaag
    • lichtsensoren
      • staafjes en kegeltjes
      • zetten lichtenergie om in impulsen
      • impulsen worden overgedragen op zenuwcellen
        • uitlopers lopen over het netvlies
        • komen op één punt samen --> zenuwbundel = oogzenuw
        • verlaten bij blinde vlek het oog

Staafjes en kegeltjes

  • staafjes
    • gevoelig voor alle golflengtes van zichtbare licht
      • geen kleuren mee waarnemen
      • alleen lichtcontrasten
      • door de hersenen in verschillende tinten grijs "vertaald"
    • lagere drempelwaarde dan kegeltjes
      • van belang voor zien in schemering
      • werken overdag niet
        • beschermd door de pigmentkorrels
    • gezichtsscherpte is kleiner dan bij kegeltjes
      • meerdere staafjes zijn op één zenuwcel aangesloten
    • vooral aan de randen van het netvlies grote dichtheid van staafjes
      • niet in de gele vlek
  • kegeltjes
    • gevoelig voor licht van bepaalde golflengtes (kleuren)
      • drie typen kegeltjes
        voor blauw, rood en groen licht
      • waarnemen van wit doordat alle drie de typen geprikkeld worden
    • hogere drempelwaarde dan staafjes
    • gezichtsscherpte is groter dan bij staafjes
      • ieder kegeltje is met één zenuwvezel verbonden met het gezichtscentrum in de hersenen
    • zitten vooral in gele vlek
      • minder aan de zijkanten van het netvlies

Gele vlek

  • deel netvlies in verlengde van oogas
  • bevat vrijwel alleen kegeltjes

Blinde vlek

  • bevat geen zintuigcellen
  • zenuwuitlopers verlaten op die plaats het oog

Oog - pupil

 

 

 

 

 

 

 

 

Pupilreflex (zie ook Bouw oog

  • veel licht --> kleine pupil
    • kringspier in de iris trekt samen
  • weinig licht --> grote pupil
    • radiale (lengte) spieren in de iris trekken samen
  • geregeld via de hersenstam (autonome zenuwstelsel)

    reflexboog:

  • hoeveelheid licht
  • waargenomen door staafje en kegeltjes
  • impulsen naar hersenen via sensorische zenuwuitlopers
  • schakelcellen verwerken informatie
  • impulsen via motorische zenuwuitlopers naar kringspier van iris
  • kringspier trekt samen
  • pupil wordt kleiner (bij veel licht) of groter (bij weinig licht)

Oog - dieptezien

Dieptezien

  • alleen met twee ogen tegelijk
  • alleen op kleinere afstand
    • op grotere afstand verschillen de beelden van het linker en het rechteroog te weinig
    • wel dieptewaarneming doordat voorwerpen een kleiner beeld vormen
  • rechteroog maakt iets ander beeld dan linker
  • hersenen maken er een dieptebeeld van

© scholte/marree 2004