[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase

15. Ecologie: dynamiek in ecosystemen

Ecologie

Ontwikkeling populatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Populatie

  • alle individuen van een bepaalde soort in één gebied
  • kunnen zich onderling voortplanten

Populatiegrootte (= totaal aantal individuen van een populatie)

weergegeven met de term populatiedichtheid (= aantal individuen per oppervlakte-eenheid)

wordt beïnvloed door:
  • emigratie en immigratie
  • geboortecijfer en sterftecijfer

Populatiegroei (zie voor de grafieken Biodata)

  • bij onbeperkte hulpbronnen (overschot voedsel)
  • weinig vijanden
    • --> populatie groeit exponentieel (J-vormige groeicurve)
  • bij beperkte hulpbronnen
    • --> evenwicht wordt bereikt --> stabiele populatie (S-vormige groeicurve)

Populatie kan instorten door:

  • snelle toename aantal vijanden
  • ernstig voedselgebrek (na aanvankelijke snelle groei)

Instandhouden van populatie
nodig:

  • voldoende variatie (verscheidenheid)
    Er zijn erfelijke verschillen tussen de individuen --> bij verandering milieu voldoende organismen met geschikte eigenschappen aanwezig

Populatiedichtheid
te bepalen door:

  • telling van de gehele populatie
    • alleen mogelijk bij kleinere populaties met goed zichtbare individuen
  • telling van een steekproef
    • kleinere organismen op een bepaald oppervlak
    • op meerder plaatsen in het ecosysteem
    • populatiedichtheid bereken:
      gemiddelde aantal individuen in de steekproeven
  • vangen, merken en terugvangen
    • aantal dieren vangen, tellen en merken
    • gemerkte dieren weer terug zetten
    • opnieuw vangen en verhouding gemerkte en niet gemerkte dieren bepalen
    • totale populatie : totaal aantal gemerkt = aantal vangst : gemerkte bij de vangst

Natuurlijk evenwicht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stabiel ecosysteem - ieder factor blijft ongeveer constant, sterke schommelingen worden afgeremd --> natuurlijk evenwicht

Populatiegroei wordt afgeremd (negatieve terugkoppeling) door:

  • voedselgebrek
  • ruimtegebrek (voor territoria)
  • ziekten
  • toename van het aantal vijanden

    gevolg:

  • populatiedichtheid vertoont in de loop der tijd schommelingen
    • natuurlijk evenwicht (biologisch evenwicht)
      schommelingen rond een bepaalde waarde
  • natuurlijke selectie
    • zwakkere dieren hebben minder overlevingskans --> minder kans om zich voort te planten --> geven minder genen door aan het nageslacht

Populatieafname wordt geremd door:

  • meer voedsel beschikbaar
  • meer ruimte beschikbaar

In stabiel ecosysteem:

  • veel verschillende populaties
  • geen sprake van sterke schommelingen
  • bij iedere populatie is sprake van een natuurlijk evenwicht

Veranderingen in ecosysteem

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veranderend ecosysteem --> soortensamenstelling verandert in de loop van de tijd

Van belang hierbij zijn:

  • verandering van abiotische factoren
  • natuurlijke selectie
  • invloed van organismen op abiotische factoren
    • plantengroei kan voor afname van dynamiek zorgen
  • invloed van organismen op elkaar
  • uitsterven of verdwijnen van soorten
  • immigratie van soorten uit andere gebieden

verloopt van pionierstadium (met pioniervegetatie( --> climaxstadium (met climaxvegetatie)

climaxstadium:
  • ecosysteem verandert niet meer
  • kan langdurig blijven bestaan (mits ongestoord)

Verandering staat onder invloed van

  • klimaat
  • natuurlijke selectie
  • Of climaxstadium bereikt wordt hangt af van de dynamiek van het ecosysteem
    Dynamiek is groot als
    • de abiotische factoren sterk schommelen
      bijvoorbeeld:
      • sterke temperatuur verschillen
      • grote variatie in zoutgehaltes
      • grote variaties in watergehaltes
      • veel wind

    Bij afnemende dynamiek --> stijging van aantal plantensoorten dat zich kan handhaven.

  • voorbeelden climax-ecosysteem (afhankelijk van klimaat):
    • tropisch regenwoud
    • loofbossen

    pionierstadium

    climaxstadium

    eenvoudig voedselweb
    weinig soorten (soortenarm - geringe diversiteit)

    ingewikkeld voedselweb
    veel soorten (soortenrijk - grote diversiteit)

    toename in biomassa
    productiviteit neemt toe

    biomassa blijft gelijk

    open kringloop

    gesloten kringloop

    sterk wisselende abiotische factoren

    abiotische factoren veranderen matig

    minder stabiel

    stabiel
    natuurlijk evenwicht

© scholte/marree 2005