[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]
 

Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase  

14. Eiwitsynthese en enzymen

Eiwitten (proteïnen)

Bouw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aminozuren en eiwitten (gebruik Binas of Biodata)

Eiwitten
  • zijn polymeren van verschillende aminozuren.
    Polymeren bestaan uit een groot aantal kleinere moleculen die allemaal min of meer hetzelfde zijn.
  • opgebouwd uit aminozuren
  • bevatten C, H, O en N atomen
  • in de restgroepen soms ook S
  • basisstructuur van een aminozuur:
    NH2-CHR(estgroep)-COOH
  • aminozuren worden aaneengekoppeld met peptidebindingen
    • Bij vormen van de peptidebinding komt water vrij --> consensatiereactie

    Molecuulstructuur

  • primaire structuur = volgorde van aminozuren
    • wordt bepaald door de volgorde van de basen A,T, G en C in het DNA
  • secundaire structuur = ruimtelijke spiraal (alpha-helix)
    ontstaat door : H-bruggen tussen de O en H atomen van de C=O en de N-H
  • tertiaire structuur = driedimensionale vouwpatroon
    ontstaat door: bindingen van bepaalde restgroepen door
    • H-bruggen
    • S-S-bruggen
      Deze verbindingen ontkoppelen bij denaturatie.
    • ion-bindingen tussen tegengesteld geladen groepen.
      De ion-bindingen zijn pH-afhankelijk.
  • quartenaire structuur = opbouw uit meerdere en/of verschillende polypeptideketens
    voorbeeld: hemoglobine

    Eigenschap van een eiwit wordt bepaald door :

    • het aantal aminozuren
    • de volgorde van de verschillende aminozuren
    • de molecuulstructuur

 

 

Functies

 Functies eiwitten

  • enzymen
    • eiwitten vormen het hoofdbestanddeel van de enzymen
    • enzymen werken als katalysatoren (reactieversnellers)
  • structuureiwitten
    • collageen
      • is zeer sterk en niet elastisch
      • zorgt voor samenhang in bijvoorbeeld de huid en in het bindweefsel
    • elastine
      • vormt elastische vezels in het bindweefsel
    • keratine
      • stevig, dient vooral ter bescherming
      • in haren, nagels, veren snavels
  • transporteiwitten
    • albumine voor het transport van stoffen
  • receptoreiwitten
    • in de membranen van cellen
  • plasma-eiwitten
    • belangrijk voor de osmotische druk in de haarvaten
    • stollingsfactoren zoals protrombine en fibrinogeen
  • antistoffen
    • immunoglobulinen

DNA en RNA

Bouw DNA en RNA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gebruik Binas of Biodata

Overzicht animaties en afbeeldingen moleculaire genetica

DNA = desoxyribonucleïnezuur (acid)
De bouw van het DNA
afbeelding DNA

  • dubbele streng nucleotiden in spiraal (dubbele helix)
  • nucleotide bestaat uit
    • desoxiribose (een mono-sacharide)
    • een fosfaatgroep
    • één van de organische stikstofbasen
      • adenine (A)
      • thymine (T)
      • guanine (G)
      • cytosine (C)
  • De twee ketens van het DNA zijn met elkaar verbonden met waterstofbruggen tussen de basen
    • adenine <--> thymine
    • guanine <--> cytosine
  • Drie opeenvolgende basen vormen een triplet (codon)
    • triplet bepaalt welk aminozuur in een eiwit ingebouwd wordt
    • volgorde van de tripletten bepaalt in welke volgorde de verschillende aminozuren aan elkaar gekoppeld worden en dus welke structuur het eiwit krijgt.
  • Eén keten vormt de template streng, de andere keten de coderende streng.

RNA = ribonucleïnezuur

afbeelding RNA
vergelijking RNA-DNA

  • enkele streng nucleotiden
  • nucleotide bestaat uit
    • ribose (een mono-sacharide)
    • een fosfaatgroep
    • één van de organische stikstofbasen
      • adenine (A)
      • uracil (U) in plaats van thymine (T)
      • guanine (G)
      • cytosine (C)
  • Drie typen RNA
    • messenger-RNA (mRNA)
      • is een kopie van een deel van het DNA (van een actief gen)
      • brengt de genetische code over naar het ribosoom
    • transfer-RNA (tRNA)
      • zorgt voor transport van aminozuur naar het ribosoom
      • bevat één triplet
        • triplet (anticodon) bepaalt aan welk deel van het mRNA het gebonden wordt
          A <--> U
          G <--> C
      • ieder tRNA molecuul vervoert specifiek één bepaald aminozuur
    • ribosomaal-RNA

Eiwitsynthese

Eiwitsynthese

Overzicht animaties en afbeeldingen moleculaire genetica

Eiwitsynthese

  • transcriptie
    afbeelding transcriptie
    • er wordt kopie gemaakt van een deel (gen) van één streng van het DNA
    • kopie is mRNA
  • RNA gaat via de poriën in het kernmembraan naar het cytoplasma --> naar een ribosoom
  • translatie - het maken van eiwit
    afbeelding translatie
    • mRNA wordt door het ribosoom afgelezen
    • tRNA voert aminozuren aan
    • anticodon van tRNA koppelt aan een triplet (codon) van het mRNA
    • de aminozuren worden aan elkaar gekoppeld
    • de eiwitvorming start vanuit het triplet AUG (startcodon) in het mRNA
      en eindigt als in het mRNA een stopcodon zit.
      Er zijn drie verschillende stopcodons (UAA, UAG en UGA)

Enzymen

Bouw en werking

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Enzymen = biokatalysatoren versnellen chemische reacties

Bouw
  • bestaan uit een eiwitdeel en een co-enzym
    • co-enzym: een vitamine of een metaal-ion

    Werking

  • substraatspecifiek
    • Door tertiaire structuur --> specifieke vorm --> passen maar op één substraat
    • enzym krijgt de naam van het substraat waarop het werkt + de toevoeging "ase"
      voorbeelden
      • sacharose --> sacharase
      • lipiden --> lipase
      • penicilline --> penicillinase
  • reactiespecifiek
    • kunnen maar één bepaalde reactie versnellen
  • activiteit afhankelijk van temperatuur (optimumkromme)
    • eiwitten veranderen bij hogere temperaturen van vorm (denaturatie) --> passen niet meer op het substraat)
    • door de hogere temperaturen worden de zwavelbruggen (S-S) verbroken
  • activiteit afhankelijk van pH (optimumkromme)
    • De pH heeft invloed op de ion-bindingen en daardoor op de bindingsmogelijkheden met een substraat
  • activiteit afhankelijk van de enzymconcentratie
  • worden zelf tijdens de reacties niet verbruikt

    Enzymen komen voor:

  • in de cel
    • kern
      • voor de vorming van DNA (replicatie) en mRNA (transcriptie)
    • mitochondriën
      • voor de citroenzuurcyclus en de ademhalingsketen
    • ribosomen
      • voor de koppeling van aminozuren tot eiwitten
    • cytoplasma
      • voor o.a. de glycolyse
  • in het verteringskanaal
    • voor afbraak van voedingsstoffen
  • Op bepaalde plaatsen in inactieve vorm aanwezig
    worden pas actief als er een tweede component bijkomt
    voorbeeld:
    • stollingsenzymen
    • verteringsenzymen

© scholte/marree 2004