[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - tweede fase

6. Levenscyclus van cellen

Celdeling en celgroei

deling en groei

Uit kunnen leggen hoe deling, groei en ontwikkeling van cellen plaatsvinden en welke betekenis deze processen hebben voor het individu.

deling en groei van cellen bij:

  • weefsels
    groeien onder invloed van
    • inductie - invloed die cellen op elkaar uitoefenen
    • hormonen
  • herstel van weefsels
    • aangroei na een verwonding
    • kunstmatig: weefselkweek
      bijvoorbeeld voor afdekken van brandwonden
  • ontregelde groei
    • kanker - ontregeling van de het tempo van de celdeling: de cellen blijven doordelen.
      Er ontstaan tumoren
      • kwaadaardig
        tumor groeit in andere weefsels uit
      • extra gevaarlijk: uitzaaiingen
        cellen raken los en komen door bloed of lymfe in andere organen terecht

 

 Celdeling

Stadia celdeling kunnen herkennen (gebruik Binas of Biodata)
kunnen uitleggen wanneer en hoe verdubbeling van het DNA plaatsvindt en
wanneer plasmagroei plaatsvindt.

Celcylus

  • interfase - tussen twee celdelingen in
    • G1-fase - toename hoeveelheid cytoplasma en bijmaken van celorganellen
    • S-fase - maken van nieuw DNA (replicatie)
      Van ieder chromosoom wordt een kopie gemaakt. De twee strengen DNA (chromatiden) blijven met elkaar verbonden door het centromeer
    • G2-fase - toename van cytoplasma
  • mitose - gewone kerndeling
  • celdeling
    • bij dierlijke cellen door insnoering van het celmembraan
    • bij plantencellen gevolgd door vorming van de celwand
      eerst de middenlamel (van pectine) gevolgd door afzetting van cellulose

Mitose - 2n --> 2n + 2n

Meiose - gevormde cellen krijgen het halve aantal chromosomen (n)

Celspecialisatie en differentiatie ontstaat door

  • in- en uitschakelen van bepaalde genen (bijvoorbeeld door inductie)

Chromosomen

chromosomen

Uit kunnen leggen wat DNA is, wat een chromosoom is en hoe de erfelijke informatie hierin is opgeslagen.

Chromosomen

  • bestaan uit DNA
    Voor bouw DNA: gebruik Binas of Biodata
  • bij alle organismen op dezelfde manier gebouwd
    alleen volgorde van de nucleotiden is anders
  • bevatten de codes voor de erfelijke eigenschappen (genetische code)
  • zitten in de kern (behalve bij bacteriën)
  • komen meestal in paren voor
    één afkomstig van vader, één afkomstig van moeder
    • 2n per kern = diploïd
      bij mens 2n = 46
    • bij geslachtscellen n per kern = haploïd

mutatie - verandering in het DNA

  • komen spontaan voor
    bijvoorbeeld door fout bij kopiëren van het DNA
  • kunnen veroorzaakt worden
    • door straling
      bijvoorbeeld
      radioactieve straling, röntgenstraling
      en
    • door bepaalde stoffen (mutagene stoffen)
      bijvoorbeeld
      teer (sigaretten), asbest

Genen

gen (genen)

  • stukje van het DNA dat de informatie bevat voor de vorming van een eiwit (enzym)
  • allel (allelen)
    de overeenkomstige genen in de homologe chromosomen
  • regelt via enzymen de processen in de cel:
    • er wordt kopie gemaakt van het gen = transcriptie
    • kopie is RNA
    • RNA gaat door de kernmembraan naar ribosoom in cytoplasma
    • ribosoom leest RNA af = translatie
      aminozuren worden in bepaalde volgorde aan elkaar gekoppeld -->
      eiwit

      eiwitten zijn bouwstoffen van de cel en
      een deel werkt als
      enzym

© scholte/marree 2004