[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - vernieuwde tweede fase

Domein: C2

Levenscyclus van de mens

Alleen schoolexamen

Bouw en functie geslachtsorganen

Je moet:

  • met behulp van anatomische informatie de primaire en secundaire geslachtskenmerken bij de vrouw en de man kunnen noemen en in afbeeldingen herkennen.
  • de functies van de geslachtsorganen kunnen beschrijven
    in het bijzonder:
    • vorming en transport van eicellen;
    • vorming, opslag en transport van zaadcellen.
  • kunnen aangeven dat een eicel in een eileider bevrucht wordt en dat de innesteling in de baarmoeder plaatsvindt.

Gebruik Binas of Biodata

Vrouw

Primaire geslachtskenmerken

  • Twee eierstokken (ovaria - enkelvoud ovarium)
    • Rijping eicel (één per maand).
      • Meiose nodig voor de vorming van de eicel.
      • Uit één diploïde cel ontstaat één eicel
        Er vindt geen celdeling plaats na de meiose. Na de meiose komen de "overbodige" chromosomen in poollichaampjes terecht.
    • Vorming vrouwelijk geslachtshormoon (oestrogeen).
  • Twee eileiders
    • Opvangen eicel na ovulatie (met trechtervormig uiteinde).
    • Bevruchting.
    • Transport bevruchte eicel --> baarmoeder.
  • Baarmoeder
    • Innesteling bevruchte eicel (in de slijmvlieslaag).
    • Groei en ontwikkeling van bevruchte eicel.
  • Schede (vagina)
    • Verbinding met de buitenwereld.
  • Kittelaar (clitoris)
    • Gevoelig voor prikkeling --> orgasme.

Secundaire geslachtskenmerken

  • Ontstaan tijdens de puberteit o.i.v. hormonen (oestrogenen).
  • Onder invloed van oestrogeen.
    • Ontwikkeling borsten;
    • groei schaam- en okselhaar;
    • meer onderhuids vet;
    • menstruatiecyclus.

Man

Primaire geslachtskenmerken

  • Twee zaadballen (testes - enkelvoud testis)
    • Vorming zaadcellen (spermacellen).
      • Mitose voor aanmaak nieuwe zaadmoeder cellen.
      • Meiose voor vorming zaadcellen.
      • Uit één diploïde cel ontstaan 4 zaadcellen.
    • Vorming mannelijk geslachtshormoon.
      • Testosteron.
        • Ontwikkeling secundaire geslachtskenmerken.
        • Invloed op rijping van de zaadcellen. .
        • Mannelijk gedrag.
  • Twee bijballen
    • Opslag van zaadcellen.
  • Twee zaadleiders
    • Transport van zaadcellen.
  • Twee zaadblaasjes
    • Monden uit in de zaadleiders.
    • Toevoegen van vocht aan zaadcellen bij zaadlozing.
  • Prostaatklier
    • Afsluiten urineblaas bij zaadlozing.
    • Toevoegen van vocht aan zaadcellen bij zaadlozing.
      zaadcellen + vocht uit zaadblaasjes en prostaat = sperma.
  • Penis
    • Bevat zwellichaam --> erectie.
    • Eikel --> gevoelig voor prikkeling --> orgasme (vergelijk clitoris).

Secundaire geslachtskenmerken

  • Ontstaan tijdens de puberteit o.i.v. hormonen (gebruik Binas of Biodata).
    • Onder invloed van testosteron.
      • Lagere stem (baard in de keel).
      • Haargroei op het gezicht en lichaam.
      • Groei schaam- en okselhaar.
      • Zaadlozing.
Vruchtbaarheid

Je moet:

  • de cyclische veranderingen kunnen beschrijven die tijdens de menstruatiecyclus plaatsvinden, kunnen aangeven welke hormonen en hormoonklieren bij deze veranderingen betrokken zijn en de invloed van anticonceptiepillen hierop kunnen aangeven.
  • de effecten kunnen beschrijven van oestrogenen, progesteron op vruchtbaarheid, zwangerschap.
  • kunnen aangeven wanneer in de menstruatiecyclus een vrouw vruchtbaar is.
  • kunnen aangeven dat er voorwaarden zijn voor een goede vruchtbaarheid
    in het bijzonder: -
    • voeding;
    • algemene gezondheidstoestand;
    • lichaamsafwijkingen;
    • leeftijd;
    • een geschikte temperatuur in de testes;
    • milieufactoren zoals de afwezigheid van toxische stoffen.

Gebruik Binas of Biodata

Menstruatiecyclus

  • Gemiddelde duur: 28 dagen.
  • Geregeld door hormonen.
    • FSH uit de hypofyse.
      • In gang zetten groei / rijpen follikel.
        • In de follikel zit de eicel.
      • Follikelcellen maken oestrogeen.
        • Functie:
          • in de baarmoeder wordt de slijmvlieslaag dikker.
          • ontstaan secundaire geslachtskenmerken.
    • LH uit de hypofyse
      • Stimuleert de ovulatie (eisprong).
        • ± 14e dag van de cyclus.
      • Stimuleert na de ovulatie de vorming van het gele lichaam (uit de lege follikel).
      • Geel lichaam vormt progesteron (zwangerschapshormoon).
        • O.i.v. progesteron wordt het baarmoederslijmvlies nog dikker.
    • Via oestrogeen en progesteron negatieve terugkoppeling op de hypofyse.
  • Ovulatie
    • Eicel komt vrij uit het follikel.
    • Wordt opgevangen door de eileider.
    • Onbevruchte eicel leeft ongeveer 24 uur (en lost daarna op).
  • Menstruatie
    • Baarmoederslijmvlies komt naar buiten (ongeveer 2 weken na de ovulatie).

    Vruchtbare periode

  • Een vrouw kan zwanger worden als ze 3 dagen voor, tijdens of een halve dag na de ovulatie geslachtsgemeenschap heeft.
    Want:
    • eicel is tot 12 uur (halve dag) na ovulatie te bevruchten.
    • zaadcellen blijven leven maximaal 3 dagen in baarmoeder en eileiders in leven.
  • De ovulatie vindt ongeveer halverwege de cyclus plaats.
    Bij een gemiddelde duur van 28 dagen, rond de 14edag.
    • Er zijn grote verschillen in lengtes van de cycli.
    • Niet iedereen heeft een regelmatige cyclus.

Factoren die invloed hebben op de vruchtbaarheid

  • Goede voeding
  • Algemene gezondheidstoestand.
    • Door ziekten wordt de kwaliteit van zaadcellen minder.
  • Leeftijd
    • Bij hogere leeftijd vrouw meer kans op kinderen met het syndroom van Down.
  • Temperatuur in de testes.
    • Ideale temperatuur voor vormen van zaadcellen is ± 35°C.
  • Milieufactoren.
    • Giftige stoffen kunnen de vruchtbaarheid verminderen.
      Bijvoorbeeld:
      • stoffen die lijken op geslachtshormonen.
Ontwikkeling voor de geboorte

Je moet:

  • de functie van trofoblast, placenta en vruchtvliezenkunnen uitleggen en hun ontwikkeling kunnen beschrijven.
  • kunnen aangeven dat placenta, navelstreng, vruchtvliezen en vruchtwater een rol spelen in de voeding en bescherming van het embryo en de foetus.
  • aan de hand van een gegeven afbeelding kunnen beschrijven welke veranderingen er plaatsvinden in de bloedsomloop bij de geboorte en vlak erna, en kunnen uitleggen wat de functie hiervan is.

Embryonale ontwikkeling --> bevruchting, embryologie zoogdieren

  • Bevruchting
    • Eicel en zaadcel smelten samen.
    • Gebeurt in de eileider.
    • Bevruchte eicel heet zygote.
  • Transport door de eileider
    • Bevruchte eicel gaat delen.
      • Klievingsdelingen (mitose).
      • Wel delingen, geen plasmagroei --> bolletje cellen.
      • In bolletje cellen ontstaat een holte met vocht.
        • Trofoblast - wand.
        • Embryonaalknop - groepje cellen tegen de binnenwand
          vormt later het embryo en het binnenste vruchtvlies.
  • Innesteling in baarmoederslijmvlies (na ongeveer 5 dagen)
    • Trofoblast wordt het buitenste vruchtvlies.
      • Deel daarvan wordt onderdeel van de placenta.
  • Ontwikkeling van het embryo
    • na drie maanden zijn alle organen aangelegd --> foetus.
      • Door specialisatie van cellen.
  • Foetus
    • Zit in vruchtwater.
      • Beschermt foetus tegen druk en stoten.
    • Rond vruchtwater zitten twee vruchtvliezen.
      • Houden het vruchtwater vast.
      • Beschermen tegen infecties van buitenaf.
  • Bloedsomloop voor de geboorte
    Gebruik Binas of Biodata
    • Foetus krijgt voeding via placenta (moederkoek).
      • Bevat bloedvaten van moeder en van kind).
        • Uitwisseling stoffen tussen moeder en kind.
      • Via navenstreng verbonden met kind.
        • Twee navenstrengslagaders (bloed van kind naar placenta).
          • Vervoer koolstofdioxide en andere afvalstoffen.
        • Eén navelstrengader (bloed van placenta naar kind)
          • Vervoer zuurstof en voedingsstoffen.
    • Longen werken nog niet.
      Er is:
      • extra bloedvat tussen longslagader en aorta (= ductus Botalli) --> bloed stroomt van longslagader naar aorta
      • opening tussen rechter en linker boezem --> er stroomt direct bloed van rechterboezem naar linkerboezem.
      • Functies
        • Transport van zuurstofrijk bloed naar aorta.
        • Weerstand van niet ontplooide longen ontlopen.
      • Na de geboorte verdwijnen deze openingen.

Tweelingen

  • Eeneiige tweeling
    • Ontstaan door bevruchting van één eicel en één zaadcel.
      • Hebben dezelfde erfelijke eigenschappen.
        • Dus ook altijd twee meisjes of twee jongens.
    • Na de eerste klievingsdeling van de bevruchte eicel, ontwikkelen de twee ontstane cellen zich zelfstandig.
  • Twee-eiige tweeling
    • Ontstaan door bevruchting van twee eicellen
      • Verschillende erfelijke eigenschappen (als bij willekeurige broers en zussen).
Hormonen tijdens de zwangerschap

Je moet de effecten kunnen beschrijven van placentahormonen, oxytocine en prolactine op zwangerschap, bevalling en lactatie.

Gebruik Binas of Biodata

Tijdens zwangerschap

  • Placenta produceert:
    • HCG
      • Heeft zelfde werking als LH.
        • Geel lichaam blijft intact in de eerste 3 maanden.
          • Produceert progesteron --> baarmoederslijmvlies blijft intact (geen menstruatie)
      • Kan in urine aangetoond worden met zwangerschapstest.
    • Progesteron
      • Vervangt na 3 maanden de progesteron van het geel lichaam.
      • Houdt het baarmoederslijmvlies in stand.
  • Hypofyse produceert:
    • prolactine.
      Gevolg:
      • groei van melkklieren.
      • productie van melk.
    • oxytocine.
      Gevolg:
      • Vrijkomen van melk uit de melkklieren.
Ontwikkeling

Je moet:

  • de lichamelijke ontwikkeling van kind naar volwassene kunnen beschrijven, zoals deze in de puberteit plaatsvindt;
    kunnen beschrijven hoe groei en ontwikkeling door voeding en hormonen beïnvloed worden.
  • kunnen uitleggen dat de relatie tussen lichaamsoppervlak en volume evenals de verhouding van de lichaamsdelen verandert tijdens de groei.

Groei vanaf geboorte

  • Voortdurend, maar niet steeds even hard.
  • Wordt geregeld door groeihormoon.
    Stimuleert:
    • groei weefsels;
    • aanmaak eiwitten en afbraak vetten;
    • celdelingen.
  • Groei wordt beïnvloed door:
    • voeding.
      • In verhouding meer bouwstoffen nodig dan brandstoffen.
        • Vooral eiwitten.
    • hormonen.
      • Geslachtshormonen en groeihormonen (gebruik Binas of Biodata).

Puberteit

  • 12 tot 16 jaar
    • Lichamelijke veranderingen:
      • groeispurt.
      • ontstaan secundaire geslachtskenmerken.
    • Geestelijke veranderingen:
      • meer zelfstandigheid.
      • interesse krijgen voor seksualiteit.
Opheffen ongewenste kinderloosheid

Je moet:

  • methoden kunnen aangeven waarmee wordt geprobeerd ongewenste kinderloosheid op te heffen
    in het bijzonder:
    • kunstmatige inseminatie;
    • in vitro fertilisatie.
  • een beargumenteerde mening kunnen geven over het gebruik van nieuwe voortplantingstechnieken bij de mens.

Kunstmatige inseminatie (KI)

  • Er wordt kunstmatig sperma bij de vrouw ingebracht.
    • KIE - sperma is van de partner.
    • KID - sperma is afkomstig van donor.

In vitro fertilisatie (IVF)

  • Eicel(len) wordt uit de eierstok gehaald en in petrischaal gedaan.
  • Zaadcellen worden toegevoegd.
  • Na de bevruchting ontwikkelen de eicellen zich tot klompjes cellen (embryo's).
  • Enkele embryo's worden in de baarmoeder gebracht en kunnen zich gaan innestelen.
Anticonceptie

Je moet:

  • de toepassing en het werkingsprincipe kunnen aangeven van de volgende anticonceptiemethoden en de voor- en nadelen van deze methoden noemen:
    • coïtus interruptus;
    • 'de pil', de 'prikpil', 'implanon';
    • condoom;
    • vrouwencondoom;
    • spiraaltje;
    • pessarium;
    • sterilisatie.

Voorbehoedmiddelen

  • Coïtus interruptus
    • Onderbroken geslachtsgemeenschap.
      • Penis wordt vóór de zaadlozing teruggetrokken uit de vagina.
    • Niet betrouwbaar.
      • In voorvocht kunnen al zaadcellen zitten.
  • Pil
    • Bevat oestrogeen en progesteron
      • Remt hypofyse (--> geen FSH en LH).
        • Daardoor gaat er geen follikel met eicel rijpen.
        • Wel menstruatie.
    • Dagelijks innemen.
    • Verkrijgbaar via huisarts.
  • Prikpil
    • Hormooninjectie.
      • Eén injectie per 12 wekenbevat progestageen (werking als progesteron).
    • Herstel vruchtbaarheid na stoppen, kan enige tijd duren.
      • Minder geschikt voor jonge mensen.
  • Implanon
    • Aangebracht onder de huid.
      • Bevat progestageen (werking als progesteron).
      • Regelmatige afgifte van het hormoon gedurende lange tijd (3 jaar).
    • Ingebracht door huisarts of gynaecoloog.
  • Condoom
    • Voorkomt dat zaadcellen in het lichaam van de vrouw komen.
    • Overal verkrijgbaar.
    • Voorkomt overdracht van soa.
  • Spiraaltje
    • Komt in de baarmoeder te zitten.
    • Voorkomt innesteling van een bevruchte eicel.
    • Moet door arts ingebracht worden.
  • Pessarium
    • Rubber kapje.
    • Dekt de baarmoederhals af.
    • Moet gebruikt worden in combinatie met zaaddodende pasta.
    • Voorkomt dat zaadcellen via de baarmoeder bij de eicel kunnen komen.
    • Moet na de geslachtsgemeenschap 8 uur blijven zitten.
  • Sterilisatie
    • Eileiders of zaadleider worden onderbroken.
      • Wel productie van geslachtscellen, maar ze kunnen het lichaam niet meer verlaten.
      • Hormoonproductie gaat gewoon door --> geen invloed op de seksualiteit.
  • Morning-afterpil
    • Geen voorbehoedmiddel, maar noodmaatregel achteraf.
      • Na geslachtsgemeenschap zonder betrouwbare anticonceptie.
        Bijvoorbeeld:
        • condoom gescheurd;
        • pil vergeten.
    • Moet binnen 72 uur na de geslachtsgemeenschap ingenomen worden.
      • Hoe eerder, hoe beter.
    • Te verkrijgen bij drogist en apotheek.
Seksualiteit

Je moet:

  • een relatie kunnen leggen tussen seksueel gedrag en seksueel overdraagbare ziekten.
  • een beargumenteerde mening kunen geven over de betekenis van seksualiteit voor de mens in persoonlijk en sociologisch perspectief.
  • een beargumenteerde mening kunnen geven over aspecten van seksualiteit zoals: hetero- en homoseksualiteit, erfelijk en cultureel bepaalde verschillen tussen man en vrouw en seksueel geweld.
  • Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's)
    • Infectie via direct contact tussen slijmvliezen van geslachtsorganen, mond en anus.
      • Kans groter bij wisselende partners.
      • Voorkomen door condoom te gebruiken.
  • Seksualiteit
    • Heteroseksueel
      • Bij seksueel contact de voorkeur geven aan iemand van het andere geslacht.
    • Homoseksueel
      • Bij seksueel contact de voorkeur geven aan iemand van het andere geslacht.
    • Biseksueel
      • Zich zowel tot mannen als vrouwen aangetrokken voelen.
  • Rolpatronen
    • Stereotyp gedrag
      • Cultureel bepaald.
        Voorbeeld:
        • de vrouw staat hoort achter het aanrecht, de man werkt buitenshuis.
    • Biologisch bepaald.
      • De vrouw krijgt de kinderen en voedt die.
  • Normen en waarden
    • Bepaald door:
      • cultuur;
      • wetgeving;
      • gevoel;
      • tijd waarin we leven.
Leefstijl en gezondheid

Je moet:

  • een eigen mening kunnen formuleren met betrekking tot de kwaliteit van het leven in relatie met ingrepen van de gezondheidszorg.
  • leefstijl en milieufactoren kunnen noemen met betrekking tot voeding en ademhaling die de kans op ziekten verhogen.
  • genotmiddelen en drugs kunnen noemen die bij gebruik een gezondheidsrisico opleveren.

Leefstijl en milieufactoren die kans op ziekten verhogen

  • Hart-en vaatziekten
    door:
    • overmatige consumptie van dierlijke vetten.
    • weinig beweging.
    • overgewicht.
  • Kanker
    o.a. door:
    • carcinogene (=kankerverwekkende) stoffen - kunnen mutaties veroorzaken.
      • Mutageniteit = mate waarin een stof mutaties kan veroorzaken.
      • Carcinogeniteit = mate waarin een stof kanker kan veroorzaken.
    • straling - o.a. radioactiviteit.
    • erfelijkheid.
      • Kan worden geactiveerd door milieuomstandigheden.
  • Allergieën
    door:
    • aanraking met bepaalde metalen.
    • bepaalde bestanddelen van het voedsel.
      Bijvoorbeeld:
      • melk;
      • gluten;
      • kleurstoffen.
  • Voedselinfecties
    door:
    • slechte hygiëne.
    • te lang bewaren van voedsel.
    • te warm bewaren van voedsel.
  • Cara - chronische aandoening aan de luchtwegen
    door:
    • klimaat (vocht, kou).
    • luchtvervuiling.

    Gezondheidsrisico genotmiddelen

  • Verslaving
    • Geestelijke en/of lichamelijke afhankelijkheid.
      Bijvoorbeeld:
      • nicotine;
      • alcohol;
      • hard drugs en in iets mindere mate soft drugs.
  • Gewenning
    • Steeds minder gevoelig worden voor het middel.
      Komt voor bij:
      • roken en alcohol;
      • drugs;
      • bepaalde geneesmiddelen.
  • Weefselbeschadiging
    • Afsterven levercellen en hersencellen door overmatig alcoholgebruik.
    • Longkanker.

© scholte/marree 2009