[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO- vernieuwde tweede fase

Domein: D2

Stofwisseling van planten

Alleen schoolexamen

Organen en weefsels plant
Je moet kunnen aangeven welke weefsels en organen de bedektzadigen hebben voor opname van stoffen, voor transport en voor opslag en hoe deze processen in deze weefsels en organen plaatsvinden.

Gebruik Binas of Biodata

Bouw plant

  • Stengel
    Bevat:
    • opperhuid (epidermis)
    • vulweefsel (parenchym)
    • steunweefsel
      • Dikke celwanden.
    • vaatbundels
      Daarin:
      • houtvaten.
        • Transport omhoog.
          • Water en zouten.
          • In vroege voorjaar ook organische stoffen voor uitlopen van knoppen.
      • bastvaten.
        • Transport omlaag.
          • Opgeloste organische stoffen (vooral sacharose).
      • cambium.
        • Alleen bij tweezaadlobbige planten
        • Deelweefsel.
          • Vormt nieuwe bastvaten en houtvaten.
            • Secundaire diktegroei.
  • Wortel
    Bevat:
    • opperhuid (epidermis).
      • Buitenste laag.
        • Met vlak boven worteltopjes wortelharen.
          • Oppervlaktevergroting voor opname stoffen.
    • vulweefsel
    • endodermis.
      • Omgeeft het centrale deel (centrale cilinder) van de wortel.
      • Bestaat uit aaneengesloten cellen met een kurklaagje in een deel van de celwanden.
      • Speelt rol bij opname van zouten.
    • houtvaten en bastvaten in de centrale cilinder.
  • Blad
    Bevat:
    • opperhuid.
      • Aan bovenkant en onderkant.
      • Hierin zitten huidmondjes.
        • Voor de gaswisseling.
      • Bovenkant vaak bedekt met vetachtig laagje
        • Cuticula.
    • palissadenparenchym
      • Aaneengesloten laag langwerpige cellen.
      • Bevatten chlorofyl.
        • In de bladgroenkorrels (chloroplasten).
        • Fotosynthese.
    • sponsparenchym.
      • Onregelmatig gevormde cellen met grote intercellulaire ruimten ( Luchtholtes).
      • Bevatten chlorofyl.
    • Nerven met:
      • houtvaten en bastvaten.
      • steunweefsel.
Fotosynthese

Je moet randvoorwaarden voor fotosynthese kunnen noemen.

  • Planten zijn autotroof.
    • Maken van de opgenomen anorganische stoffen, organische stoffen.
      • Opbouwreactie.
        • Assimilatie.
          • Energie nodig.
  • Fotosynthese
    • Koolstofassimilatie
      • Zonne-energie wordt vastgelegd in organische stof (glucose).
      • Nodig de anorganische stoffen (CO2 en H2O).
    • Glucose wordt gevormd uit CO2 en H2O.
      • CO2 wordt opgenomen via de huidmondjes.
      • Water wordt opgenomen met de wortels.
    • O2 blijft over.
    • Netto reactievergelijking:
      koolstofdioxide + water --> glucose + zuurstof
      6CO2 + 6 H2O + E(nergie) --> C6H12O6 + 6O2
      Blad en fotosynthese
    • Gebeurt in bladgroenkorrels (in het chlorofyl).
  • Reactiesnelheid fotosynthese hangt af van:
    • voldoende chlorofyl;
    • voldoende CO2, water en licht;
    • temperatuur.
Voedingsstoffen

Je moet:

  • kunnen aangeven dat koolhydraten (waar van toepassing uitgebreid naar andere organische stoffen) worden verbruikt bij opbouw, herstel, dissimilatie en vorming van reservestoffen.
  • kunnen aangeven dat opslag van stoffen plaatsvindt in wortels, stengels, bladeren en zaden.
  • de processen kunnen noemen waardoor in planten stoffen getransporteerd worden en het principe van deze processen kunnen uitleggen
    in het bijzonder:
    • diffusie, waaronder osmose;
    • actief transport;
    • stroming.

Gebruik Binas of Biodata

Organische stoffen

  • Glucose
    • Gemaakt bij de fotosynthese.
    • Wordt voor een deel verbruikt bij de dissimilatie --> energie vrijmaken.
      • Glucose + zuurstof --> koolstofdioxide en water
        C6H12O6 + 6O2 --> 6CO2 + 16 H2O + E(nergie)
    • Kan worden omgezet in andere stoffen.
      • Omgezet in andere koolhydraten.
        Polysachariden, disachariden en monosachariden.
        • Polysachariden en disachariden zijn aaneenschakeling van monosachariden.
          Vorming van een polysacharide uit glucose:
          • 2 glucose --> disacharide (bijvoorbeeld sacharose)
            2 C6H12O6 --> C12H22O11 + 2 H2O
          • n glucose --> polysacharide (bijvoorbeeld zetmeel)
            n C6H12O6 --> C6nH12nO6 n-1 + (n-1) H2O
      • Polysachariden
        • Zetmeel.
          • Opslag in zetmeelkorrels.
            Vooral in:
            • zaden.
              • In zaden kunnen ook eiwitten en vetten als reservevoedsel zitten.
            • verdikte delen van stengels.
            • verdikte delen van wortels.
        • Cellulose - voor de celwanden.
      • Disachariden
        Bijvoorbeeld: sacharose
        • Wordt getransporteerd via de bastvaten.
      • Monosachariden
        Bijvoorbeeld:
        • fructose;
        • ribose.
      • Omgezet in vetten.
        • Bouwstof en reservestof (in zaden).
      • Omgezet in aminozuren/eiwitten.
        • Bouwstof en enzymen.
        • Voor de vorming van eiwitten uit glucose zijn nitraten (de N-atomen) uit de bodem voor nodig.

Anorganische stoffen

  • Zouten
    • Opgenomen via wortels.
      • Passief transport via de celwanden van wortelharen en het vulweefsel in de schors (diffusie).
      • Actief transport via de celmembraan van de endodermiscellen.
      • In de cellen transport door stroming van het cytoplasma.
    • O.a. nodig voor vorming van aminozuren uit glucose.
      Voorbeelden:
      • nitraat (NO3-);
      • sulfaat (SO42-);
    • Verder vooral natrium- kalium en chloorionen (Na+, K+ en Cl--) opgenomen..
  • CO2 uit de lucht.
    • Opgenomen via huidmondjes door diffusie.
  • Water
    • Opgenomen via wortels door osmose.
      • Wateropname is een gevolg van de opname van zouten.
Gaswisseling

Je moet:

  • de route kunnen aangeven van CO2 en O2 in de plant
    in het bijzonder:
    • opname via huidmondjes;
    • transport via intercellulaire holten.
  • kunnen uitleggen onder welke omstandigheden de plant water verliest door verdamping dan wel door druppelen.

Gaswisseling blad

  • Opname en afgifte van CO2 en O2 via huidmondjes.
    • Door diffusie.
  • Verder transport via intercellulaire holten.
  • Overdag
    • In bladcellen vindt fotosynthese plaats én dissimilatie.
    • Als de omstandigheden voor de fotosynthese gunstig zijn:
      snelheid fotosynthese > snelheid dissimilatie
    • Plant heeft nodig:
      • CO2 voor de fotosynthese (in de bladgroenkorrels).
        • CO2 die geproduceerd wordt bij dissimilatie wordt gebruikt bij de fotosynthese.
        • De rest wordt via de huidmondjes opgenomen.
      • O2 voor de dissimilatie (in de mitochondriën).
        • O2 die vrijkomt bij de fotosynthese wordt gebruikt voor de dissimilatie.
        • Wat over is verdwijnt via de huidmondjes naar buiten.
      • Zie grafiek fotosynthese.
  • 's Nachts
    • Er alleen dissimilatie.
      • O2 nodig.
      • CO2 geproduceerd.

  • Door huidmondjes ook verlies van water door:
    • verdamping.
      • Hierdoor ontstaat zuigkracht van de bladeren.
      • Verdamping neemt toe door:
        • lage luchtvochtigheid;
        • wind;
        • hogere temperatuur.
    • druppelen.
      • Water druppelt uit de huidmondjes.
        Gebeurt bij:
        • hoge luchtvochtigheid, weinig wind en lage luchttemperatuur
        • hoge bodemtemperatuur (dan veel worteldruk)

Huidmondjes

  • Openingen in opperhuid blad.
    • Vooral aan de onderzijde (behalve bij drijvende waterplanten).
  • Rond de opening twee sluitcellen.
    • Bevatten bladgroenkorrels.
  • Werking
    • Licht --> huidmondjes open.
      • CO2 opgenomen (voor fotosynthese).
      • O2 afgegeven.
      • Water verdampt.
        • Osmotische waarde bladcellen neemt af.
          • Water aangezogen vanuit houtvaten.
    • Donker --> huidmondjes dicht.
    • Veel verdamping (erg warm, erg droog e.d.) --> huidmondjes gaan ook overdag dicht.
Transport in de plant

Je moet:

  • kunnen aangeven langs welke weg water en anorganische stoffen vanuit de bodem tot in alle cellen van de plant getransporteerd worden
    in het bijzonder:
    • opperhuid;
    • schors;
    • endodermis;
    • houtvaten;
      en de processen noemen die hierbij een rol spelen
      in het bijzonder:
    • verdamping;
    • stroming;
    • worteldruk
  • kunnen aangeven dat organische stoffen vanaf bladeren en vanuit opslagweefsels via bast- en houtvaten naar alle cellen in de plant getransporteerd worden.

Transport van wortel naar blad

  • Transport van water en zouten.
    • Naar alle delen van de plant.
  • In het voorjaar ook transport van organische stoffen uit de opslagweefsels.
  • Gaat via vaatbundels.
    • Door houtvaten.
  • Transport omhoog ontstaat door:
    • zuigkracht van de bladeren.
      • Uit cellen in blad rondom de luchtholte verdampt water.
        • Naar buiten via de huidmondjes (diffusie).
          • luchtvochtigheid buiten groter dan in het blad.
      • Osmotische waarde van de cellen van het blad neemt toe.
      • Water wordt aangezogen uit de houtvaten.
        • Water wordt in de houtvaten omhoog getrokken.
          • Water bevat zouten.
          • Zo voldoende aanvoer van zouten in het blad.
    • worteldruk.
      • Wortel neemt zouten op.
        • Endodermiscellen pompen de zouten de centrale cilinder in.
        • Kost energie - actieve opname.
      • Osmotische waarde in de centrale cilinder neemt toe.
      • Water wordt aangezogen uit de bodem.
        • Kost geen energie - passieve opname - osmose.
    • capillaire werking.
      • Doordat de houtvaten erg nauw zijn.

© scholte/marree 2009