[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - vernieuwde tweede fase

Domein: E4

Homeostase bij de mens - 3

Hormoonstelsel

Centraal examen

Homeostase

Je moet:

  • de principes van een regelkring kunnen toepassen bij verschillende systemen van het menselijk lichaam.
  • een regelkring in een schema kunnen weergeven en de processen binnen een regelkring beschrijven,
    in het bijzonder:
    • registratie in het centrale zenuwstelsel van een verandering in het interne of externe milieu door middel van receptoren;
    • vergelijking van deze registratie met een interne norm;
    • een verschil kan leiden tot het uitzenden van signalen naar effectoren, die hierop reageren;
    • de reactie kan leiden tot opheffing van het verschil tussen de registratie en de norm of er kan een reactie in gang gezet worden in een andere regelkring waardoor er een nieuw evenwicht ontstaat.
  • de relatie tussen het zenuwstelsel en het endocriene stelsel kunnen beschrijven.

Homeostase (Ipad)

  • Het constant houden van het inwendig milieu.
    Gebeurt door:
    • zenuwstelsel.
      • Werkt snel (via impulsen).
    • endocriene stelsel (hormoonstelsel).
      • Werkt relatief langzaam.
      • In samenwerking met het autonome zenuwstelsel.

Regelkring

  • Meten van een verandering in het interne of externe milieu
    • door receptoren (zintuigcellen of sensoren).
  • Beoordeling van de waarneming
    • door het centrale zenuwstelsel.
    • Waarneming wordt vergeleken met een interne norm.
      • Dit is de normaalwaarde voor die bepaalde factor.

Bij verschil met de interne norm

  • Effectoren (uitvoerders) worden gestimuleerd of geremd.
    • Uitvoerders zijn spieren of klieren.
      • Via motorische zenuwcellen of via hormonen.
  • Reactie leidt tot opheffen of vermindering van het verschil met de norm
    of
    zet andere regelkring in gang waardoor een nieuw evenwicht ontstaat.
  • Nieuwe waarde wordt door receptoren geregistreerd en teruggekoppeld naar het centrale zenuwstelsel.
    • Opnieuw vergelijken, corrigeren, enzovoort.
    • Bijsturen van het proces door negatieve feedback.

  • Regelkringen spelen o.a. een rol bij:
    • regeling bloeddruk;
    • regeling bloeddrukCO2-gehalte van het bloed;
    • regeling glucosegehalte van het bloed;
    • constant houden van osmotische waarde van het bloed;
    • constant houden van lichaamstemperatuur.
Kenmerken hormonen

Je moet:

kunnen uitleggen dat de kenmerken van hormonen bepalend zijn voor het tot stand komen van een reactie,
in het bijzonder:
  • hormonen worden aan het bloed afgegeven;
  • de hormoonconcentratie is bepalend voor de mate van reactie door de doelwitorganen;
  • hormonen hebben een specifieke molecuulstructuur die alleen door receptormoleculen op of in cellen van doelwitorganen wordt herkend.

Inhoud animaties homeostase (Ipad)

Hormonen

  • Zijn signaalstoffen (regelstoffen).
    • Van belang bij instand houden van een constant inwendig milieu (homeostase).
      Onder andere:
      • osmotische waarde van het bloed;
      • pH van het bloed;
      • glucose-gehalte van het bloed.
    • Regelen vaak in samenwerking met autonome zenuwstelsel.
  • Worden gemaakt in hormoonklieren (endocriene klieren).
  • Worden afgegeven aan en vervoerd door het bloed.
    • Daardoor tragere werking dan zenuwstelsel.
    • Wel langduriger.
  • Hebben een specifieke molecuulstructuur.
    • Deze passen op receptormoleculen op of in cellen van doelwitorganen.
    • Hebben alleen effect op die organen.
      Regeling op celniveau (Ipad)
      • Peptidehormonen (bijvoorbeeld insuline)
        • In water oplosbaar.
        • Receptoren zitten in de celmembraan van de doelwitcellen.
        • Binding van hormoonmolecuul aan receptor --> reactieketen komt op gang --> uiteindelijk beïnvloeding van transcriptie DNA --> activering of blokkering van een gen --> wel of geen enzym gevormd.
      • Steroïdhormonen (bijvoorbeeld testosteron)
        • In vet oplosbaar (hydrofoob).
          • Kunnen daardoor de celmembraan makkelijk passeren.
          • Receptoren bevinden zich in de doelwitcellen.
          • Binding van hormoonmolecuul aan receptor --> hormoon-receptor complex hecht direct aan DNA --> activering of blokkering van een gen.
  • Concentratie van hormoon in het bloed bepaalt de mate van de reactie van de doelwitorganen.
    • Afhankelijk van de concentratie ontstaan meer of minder hormoon-receptor bindingen.
  • Werking via regelkringen (zie overzicht zenuwstelsel)
Hypothalamus - hypofyse systeem

Je moet:

  • Je moet verstrekte informatie over de functie van specifieke hormonen, de hormoonklieren die ze produceren en hun doelwitorganen kunnen toepassen in beschreven situaties.
  • kunnen uitleggen dat diverse circulerende hormonen in hogere concentraties de verdere afgifte van hormonen door de hypofyse remmen (feed-back mechanismen).
  • aan de hand van verstrekte informatie de functie van het hypothalamus-hypofyse-systeem beschrijven en uitleggen hoe de hypothalamus door middel van hormonen de hypofyse remt of stimuleert.

Gebruik Binas of Biodata

Op kunnen zoeken in Binas of Biodata:

  • Functie hormonen
  • Bijbehorende hormoonklier
  • Doelwitorgaan
  • Feed-back mechanisme

Hypofyse (Ipad)

  • Hersenaanhangsel
    • Ligt onder de hypothalamus.
  • Maakt verschillende hormonen.

Enkele voorbeelden van hypofyse-hormonen

  • FSH ( follikelstimulerend hormoon) (Ipad)
    • Stimuleert bij vrouw:
      • groei van follikel in ovaria;
      • afgifte van oestradiol door de follikelcellen.
    • Afgifte wordt geremd (negatieve feedback) door bepaalde concentratie oestradiol en progesteron.
    • Stimuleert bij man:
      • vorming van spermacellen in de testis (spermatogenese).
    • Afgifte wordt geremd door testosteron.
  • LH ( luteïniserend hormoon)
    • Stimuleert:
      • ovulatie;
      • vormingen handhaving van het geel lichaam.
    • Afgifte van testosteron door de testes
    • Afgifte wordt geremd door oestradiol, progesteron, testosteron.
  • TSH ( thyreotroop hormoon)
    • Stimuleert:
    • Afgifte wordt geremd door thyroxine.

Hypothalamus - hypofyse - systeem (Ipad)

Hypothalamus

  • Onderdeel van het centrale zenuwstelsel.
    • Zit in tussenhersenen.
  • Heeft directe verbinding met hypofyse.
  • Twee typen hormonen worden afgegeven.
    • Zenuwcellen in de hypothalamus geven hormonen af aan het bloed (= neurosecretie).
      • De hormonen worden neurosecreten genoemd.
    • Bepaalde cellen produceren hormonen die direct naar de hypofyse gaan.
      • Releasing hormonen
        • Stimuleren afgifte van bepaalde hormonen door de hypofyse.
        • Via deze stoffen wordt de hypofyse gestimuleerd of geremd
          (afhankelijk van de concentratie).
  • Reguleert ook een aantal neurale processen.
    bijvoorbeeld:
    • bloeddruk;
    • lichaamstemperatuur.
Regeling glucoseconcentratie

Je moet kunnen uitleggen hoe de glucoseconcentratie in het bloed volgens het principe van een regelkring wordt geregeld met behulp van insuline en glucagon.

Glucoseconcentratie van het bloed (bloedsuikerspiegel) (Ipad)

  • Moet zoveel mogelijk constant blijven.
  • Heeft direct invloed op de osmotische waarde van het bloed.
  • Wordt geregeld via hormonen uit de eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier) (Ipad).
  • Lever en skeletspieren zijn de doelwitorganen.
    • Insuline
      • Verlaging van de glucoseconcentratie.
        • O.i.v. insuline wordt:
          • glucose opgenomen uit het bloed;
          • glucose omgezet in glycogeen.
            • Glycogeen wordt opgeslagen.
          • Insuline stimuleert ook de opname van glucose in andere lichaamscellen.
    • Glucagon
      • Verhoging van de glucoseconcentratie.
        • O.i.v. glucagon wordt:
          • glycogeen omgezet in glucose;
          • glucose afgegeven aan het bloed.
    • Insuline en glucagon werken als antagonisten.

Regelkring

Glucosegehalte in het bloed is te hoog.

  • Alvleesklier (eilandjes van Langerhans) registreert en produceert:
    • meer insuline;
    • minder glucagon.
  • Insuline komt via het bloed bij de lever en de spieren.
  • Glucose wordt uit het bloed opgenomen.
    • Opgeslagen als glycogeen.
  • Glucosegehalte van het bloed wordt lager.
  • Terugkoppeling (negatieve feedback) op de alvleesklier -->
    • minder insuline;
    • meer glucagon.
  • enzovoort
  • Gevolg is dat glucoseconcentratie schommelt rond een bepaalde waarde (de norm).
Adrenaline

Je moet kunnen aangeven wat het effect van een verhoogde adrenalineafgifte is en welke functie dit effect heeft.

Gebruik Binas of Biodata

Adrenaline (Ipad)

  • Vluchthormoon/Stresshormoon.
  • Wordt gemaakt en opgeslagen in bijnier(merg);
  • Komt vrij als je lichaam plotseling in actie moet komen'
    • Maakt het mogelijkheid snel te reageren.
      Bijvoorbeeld:
      • bij schrik;
      • in een angstige of spannende situatie;
      • als je ineens gaat rennen.
  • Heeft zelfde effect als orthosympatische zenuwstelsel.
    • Ondersteunt in noodgevallen de werking daarvan.
  • Heeft (als enige hormoon) een snelle en kortdurende werking.
    • Bevordert omzetting van glycogeen in glucose.
      • In lever en skeletspieren (zelfde effect als glucagon).
      • Afgifte van glucose door de lever.
    • Stimuleert hartactiviteit:
      • toename slagfrequentie;
      • toename hartvolume.
    • Stimuleert bloedvatverwijding in de skeletspieren en verhoogt spierspanning:
      "Je staat te trillen op je benen".
    • Zorgt verder voor:
      • verwijding van de bronchiën;
      • verwijden pupillen ( "schrikogen").
  • Bijniermerg produceert nog een overeenkomstig hormoon: nor-adrenaline.
    • Heeft hetzelfde effect.
Hormonen en gezondheid
Je moet kunnen aangeven dat de regeling van allerlei lichaamsprocessen gevoelig is voor stemmingen en emoties met gevolgen voor de homeostase en met - soms - gevolgen voor de gezondheidstoestand.
  • Hormoon concentratie is erg belangrijk.
    • Te hoge of te lage concentratie kan ziekteverschijnselen tot gevolg hebben.
  • Hormoonconcentratie is niet constant.
    • Bepaalde hormonen hebben 's nachts een piek, andere bijvoorbeeld na het wakker worden.
      • Vast ritme (bioritme).
        • Verstoring kan leiden tot jetlag.
    • Hormonen van menstruatiecyclus hebben een maandritme.
      • Bij veel dieren is sprake van een seizoensgebonden ritme.
  • Wijziging in hormoonconcentratie kan sterke invloed hebben op stemmingen en humeur .
    • Verschilt van persoon tot persoon.

© scholte/marree 2009