[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - vernieuwde tweede fase

Domein: B1

Structuren in ecosystemen

Centraal examen

Je kunt de betekenis en onderlinge wisselwerking van abiotische en biotische factoren, waardoor de diversiteit tussen en binnen ecosystemen wordt bepaald, aangeven en uitleggen.

Benodigde voorkennis uit onderbouw:

  • indeling van organismen;
  • binaire naamgeving.
Ecosystemen

Je moet:

  • de relaties in een ecosysteem kunnen beschrijven.
  • het begrip nis van een bepaalde soort in een beschreven ecosysteem kunnen gebruiken.
  • het begrip habitat van een bepaalde soort in een beschreven ecosysteem kunnen gebruiken.

Ecosysteem

  • Gebied met een bepaald milieu (abiotische factoren) met alle daarin levende organismen (biotische factoren).
  • Ecosysteem is te herkennen aan min of meer vaste samenstelling van planten en dieren (= levensgemeenschap.
  • Voorbeelden in Nederland:
    • duinen;
    • naaldbos;
    • heideveld;
    • sloot;
    • waddengebied.
  • Voorbeelden in de wereld:
    • toendra;
    • tropisch regenwoud;
    • woestijn.

Nis (niche)

  • De rol die een soort in een ecosysteem heeft.
    • Wordt bepaald door het geheel van milieufactoren (abiotische en biotische factoren) waaraan een organisme is aangepast.
    • Bijvoorbeeld:
      • beschikbaarheid van voedsel;
      • aanwezigheid van concurrenten;
      • tolerantie voor abiotische factoren;
  • Twee diersoorten kunnen niet twee precies dezelfde nissen in een ecosysteem invullen.
  • Hoe soortenrijker het ecosysteem, des te gespecialiseerder is de nis.

Habitat

  • De leefomgeving van een organisme.
  • Leefomgeving heeft specifieke biotische en abiotische factoren.
    Voorbeelden
    • Pissebedden leven op vochtige plaatsen.
    • Wormen leven onder de grond.
    • Rupsen van koolwitjes leven in koolplanten.

Levensgemeenschap

  • Alle organismen samen in een ecosysteem vormen een levensgemeenschap.
  • Levensgemeenschap bestaat uit verschillende populaties van soorten planten, dieren, schimmels en bacteriën.
    • Populatie: groep individuen van één soort die zich onderling kunnen voortplanten.
  • Iedere soort heeft:
    • een specifieke functie (ecologische nis) in het ecosysteem.
    • een bepaalde leefplek (habitat) in het ecosysteem.
      • De verschillende soorten organismen zijn onderling afhankelijk van elkaar of beïnvloeden elkaar.
        Voorbeelden
        • Ze zijn onderling afhankelijk zijn voor de voortplanting.
          Insectenbloemen zijn van insecten afhankelijk voor de bestuiving.
          Koekoek laat andere vogels hun jongen grootbrengen.
        • Ze hebben een territorium nodig.
        • Ze eten of worden gegeten.
  • De organismen in de levensgemeenschap vormen een voedselweb.
    • Voedselweb bestaat uit alle voedselketens in een gebied.
      • Voedselweb bestaat uit:
        voedselketens
        (Ipad)

        plant (producent) --> planteneter (consument 1e orde) --> vleeseter (consument 2e orde)

Factoren

Je moet kunnen uitleggen dat de verschillen tussen en de diversiteit binnen ecosystemen ontstaan door verschillen in abiotische en biotische factoren.

Abiotische factoren

  • Alle invloeden uit de niet-levende natuur.
    Voorbeelden van abiotische factoren
    • Licht
      • Energie voor de fotosynthese.
    • Temperatuur
      • Invloed op eiwitten (enzymwerking.)
    • Lucht
      • CO2-gehalte (voor de fotosynthese).
      • O2 (voor dissimilatie).
      • Ozon
        • Houdt schadelijke UV-straling tegen.
      • Wind
        • Verspreiding van stuifmeel (windbloemen).
        • Invloed op de verdamping.
      • Vochtigheid
    • Water
    • Bodem
      • Grondsoort (klei, zand e.d.)
      • Humus
      • Zuurgraad
      • Vochtigheid
      • Beschikbaarheid van mineralen

Biotische factoren

  • Alle levende wezens.
    • Planten
      • Maken het voedsel (fotosynthese) en dienen dus als voedsel voor dieren.
      • Bieden schuilplaatsen en broedplaatsen voor dieren.
    • Dieren
      • Planteneters leven van planten en hebben dus invloed op de vegetatie.
      • Vleeseters eten andere dieren.
    • Schimmels en bacteriën
      • Zorgen voor de afbraak van de dode organische resten.
        of
      • Veroorzaken ziektes.
        of
      • Leven in symbiose met planten.

Biodiversiteit (soortenrijkdom)

  • Wordt bepaald door het aantal soorten in een bepaald gebied.
  • Wordt groter als:
    • de dynamiek in een ecosysteem afneemt (minder sterke schommelingen van de abiotische factoren).
    • de abiotische omstandigheden minder extreem zijn.
      • Meer soorten organismen kunnen zich dan handhaven.
  • Grotere diversiteit --> grotere capaciteit om verstoringen op te vangen --> stabieler ecosysteem.
Tolerantie

Je moet:

  • kunnen uitleggen dat abiotische en biotische factoren de mogelijkheden voor groei, ontwikkeling en het functioneren van organismen bepalen, in het bijzonder:
    • tolerantiegrenzen, tolerantiecurve;
    • beperkende factoren;
    • microklimaat.
  • Het begrip 'beperkende factoren' toepassen in verschillende concrete situaties.


Tolerantiegrenzen - tolerantiegebied

  • Iedere soort heeft voor een abiotische factor zijn kenmerkende tolerantiegebied.
  • Tolerantiegrenzen bepalen verspreidingsgebied (= gebied waar soort voorkomt) van een soort.
    • Organismen met een grote tolerantie (groot tolerantiegebied) --> groter verspreidingsgebied.
    • Organismen met een klein (smal) tolerantie gebied --> kleiner verspreidingsgebied.
      • Kunnen als indicatorsoort gebruikt worden.
  • Voor elke abiotische factor bestaat een minimumwaarde en een maximumwaarde
    • Per abiotische factor optimumkromme met:
      • minimum waarde;
      • optimum waarde;
      • maximumwaarde.
        • Minimum en maximum zijn de waarden waarbij organismen nog net kunnen overleven.

Beperkende factor

  • De abiotische factor waarvan de waarde het verst weg ligt van de optimumwaarde.
    • Bepaalt de levenskansen en de groei.
  • Toename van de beperkende factor --> toename reactiesnelheid.
    Voorbeeld
    • Als blijkt dat als de hoeveelheid licht toeneemt, de fotosynthese van een plant sneller gaat, dan is licht de beperkende factor voor de fotosynthese.
    • Als bij meer licht, de snelheid van de fotosynthese gelijk blijft, is een andere factor beperkend. Bijvoorbeeld het CO2-gehalte of de temperatuur.
  • Voorbeelden van wat beperkende factoren kunnen zijn:
    • nitraat-gehalte in de bodem (planten);
    • zonlicht en CO2-gehalte voor planten (fotosynthese);
    • temperatuur (enzymwerking).

Microklimaat ( = klimaat op de plaats van het organisme)

  • Binnen ecosysteem kunnen de abiotische factoren verschillen.
    Vooral door:
    • aanwezigheid of afwezigheid van plantengroei (= biotische factor).

Relaties

Je moet in een beschreven ecosysteem verschillende relaties tussen soorten en tussen individuen van een soort kunnen benoemen, in het bijzonder:

  • concurrentie (competitie);
  • voedselrelatie, predatie;
  • symbiose: mutualisme, commensalisme, parasitisme
  • voortplantingsrelatie.
  • Relaties tussen individuen van één soort
    • Concurrentie (competitie) om:
      • leefgebied (territorium);
      • voedsel;
      • zonlicht (bij planten).
    • Voortplantingsrelatie (voortbestaan van de soort)
      • Paarvorming.

  • Relaties tussen soorten
    • Concurrentie (competitie) om:
      • voedsel.
        • Als soorten van hetzelfde voedsel afhankelijk zijn.
      • territorium.
        Bijvoorbeeld:
        • concurrentie om nestgelegenheid.
    • Voedselrelatie
      • Predatie.
        • Doden van dieren voor voedsel.
          • Het dier dat een ander dier eet, heet een predator.
          • Het dier dat gegeten wordt, is de prooi.
    • Voortplantingsrelatie
      • Insectenbloemen zijn afhankelijk van dieren voor de verspreiding van stuifmeel.
    • Symbiose (Ipad)
      Het samenleven van twee soorten.
      • Mutualisme
        Beide organismen hebben voordeel.
        Voorbeeld
        • Korstmossen: samenleving van een alg (groene plant) en een schimmel.
        • Wortelknolbacteriën (knolletjesbacteriën) in de wortels van bepaalde planten.
      • Commensalisme
        De een heeft voordeel, de ander geen nadeel.
        Voorbeeld
        • Haaien met zuigvissen.
      • Parasitisme
        De een heeft voordeel (parasiet), de ander nadeel (gastheer).
        Voorbeeld
        en
        • Lintworm in de darmen van zoogdieren.
        • Vlooien op een huisdier.
        • Malariaparasiet.

© scholte/marree 2009