[home]
[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie VWO - vernieuwde tweede fase

Domein: E4

Homeostase bij de mens - 2

Zintuigen

  Centraal examen

Algemene kenmerken zintuigen

Je moet:

  • de functie van zintuigen bij de mens beschrijven met gebruik van de begrippen adequate prikkels en prikkeldrempel.
  • kunnen aangeven dat er receptoren zijn die gevoelig zijn voor veranderingen in tonus van een spier, voor de temperatuur en de samenstelling van het bloed.

Zintuig (receptor)

  • Neemt informatie (prikkel) uit de omgeving waar.
  • Prikkels worden omgezet in impulsen.
    • Elektrische stroompjes
  • Prikkel moet sterk genoeg zijn en lang genoeg duren, moet boven een bepaalde prikkeldrempel (drempelwaarde) liggen.
    • Prikkeldrempel is minimale prikkelsterkte nodig om impuls (actiepotentiaal) te laten ontstaan.
      • Als prikkelsterkte onder de prikkeldrempel ligt --> er ontstaat geen actiepotentiaal.
      • Verhoging prikkeldrempel:
          • na voorafgaande sterke prikkel.
          • na lang aanhouden van één bepaalde prikkel.
        • Sterkere prikkel nodig om actiepotentiaal te laten ontstaan.
  • Impulsen worden door de sensorische zenuwcellen doorgegeven aan het centraal zenuwstelsel.
    • De sterkte van de impuls is altijd hetzelfde.
    • Het aantal impulsen per tijdseenheid (impulsfrequentie) hangt af van de sterkte van de prikkel.
      • Hogere impulsfrequentie bij een sterkere prikkel.

Prikkels

  • Veranderingen in het milieu.
    • Uitwendige prikkel
      • Verandering in de omgeving.
      • Waargenomen door uitwendige zintuigen.
      • Communicatie verloopt volledig via het animale zenuwstelsel.
        • Impulsen worden verwerkt in de hersenen.
          • Pas dan bewust van waarneming.
    • Inwendige prikkel
      • Verandering in inwendige milieu.
      • Waargenomen door inwendige zintuigen.
        • Worden gebruikt bij het in evenwicht houden van alle functies in het lichaam.
          Bijvoorbeeld
          • temperatuur;
          • zuurgraad;
          • bloeddruk
          • ademhaling.
      • Communicatie verloopt deels via het autonome zenuwstelsel en de hormonen.

Adequate prikkel 

  • Prikkel waarvoor een bepaald zintuig gespecialiseerd is.
  • Voorbeelden bij uitwendige zintuigen:
    • licht --> oog;
    • geluid --> oor;
    • geur --> neus;
    • smaak (zoet zuur zout en bitter) --> tong;
    • druk --> drukzintuigen in huid;
    • temperatuur --> warmte - en koudezintuigen in huid;
    • lichte aanraking --> tastzintuigjes in huid;
    • houding en beweging --> evenwichtszintuig (vlak bij het inwendige oor).
  • Voorbeelden bij inwendige zintuigen:
    • CO2-gehalte, O2-gehalte en pH van het bloed --> receptoren in halsslagaders en aorta;
    • mate van spierspanning --> receptoren in de spieren (spierspoeltjes);
    • lichaamstemperatuur --> receptoren in hersencentra;
    • osmotische waarde van het bloed --> receptoren in hypothalamus.
Het oog

Je moet de werking van de ogen kunnen beschrijven en het totstandkomen uitleggen van:

  • accommodatie;
  • zien van kleuren en contrasten;
  • de pupilreflex;
  • zien van diepte;

waarbij gebruik kan worden gemaakt van een afbeelding van de bouw van de ogen.

Gebruik Binas of Biodata

Bouw oog (Ipad)

Functies onderdelen

  • Oogspieren: draaien oog.
  • Pupil: regelen hoeveelheid licht die op het oog valt.
  • Hoornvlies en glasachtig lichaam: lichtbreking (samen met lens).
  • Lens: accommoderen
  • Netvlies: waarnemen licht.
    • Omzetten in impulsen.
  • Oogzenuw - geleidt impulsen naar grote hersenen (gezichtscentrum).
  • Vaatvlies: bevat de bloedvaten.
  • Traanklieren - maken traanvocht .
    • Spoelt stof weg.
    • Beschermt oogbol tegen uitdroging.
Werking ooglens

Accommodatie (Ipad)

  • Het boller maken van de lens.
    • Lens kan boller en platter worden.
      • Brandpuntsafstand wordt aangepast.
    • Bolle lens voor dichtbij kijken.
      • Lichtstralen worden sterk afgebogen.
    • Platte lens voor veraf kijken.
      • Lichtstralen worden minder sterk afgebogen.
  • Boller en platter worden door:
    • straalvormig lichaam.
      Bestaat uit:
      • accommodatiespier (ciliairspier) met lensbandjes.
    • Dichtbij scherp zien
      • Accommodatiespier trekt samen.
        • Lensbandjes gaan slap hangen.
        • Ooglens wordt boller
          • door eigen elasticiteit.
    • Veraf scherp zien
      • Accommodatiespier ontspant
        • Lensbandjes gaan strak staan.
        • Ooglens wordt afgeplat
          • doordat de lensbandjes er aan trekken.

Verziendheid

  • Alleen in de verte goed scherp kunnen zien.
    Oorzaak:
    • oogas is te kort
      of
    • lens kan niet bol genoeg worden.
  • Verbeteren:
    • met bolle (positieve) lens.
      • Lens is aan de randen dunner dan in het midden.
    • Lens versterkt de werking van de ooglens.

Ouderdomsverziendheid

  • Ooglens verliest vermogen om te accommoderen
  • Lesbril nodig (positieve lens).

Bijziendheid

  • Alleen dichtbij scherp kunnen zien
    Oorzaak:
    • oogas te lang
      of
    • lens kan niet plat genoeg worden.
  • Verbeteren:
    • met holle (negatieve lens).
      • Lens is aan de randen dikker dan in het midden.
    • Lens doet tegenovergestelde als de ooglens.

Staar - lens wordt ondoorzichtig

Netvlies

Gebruik Binas of Biodata

Bouw netvlies (Ipad)

Onderdelen

  • Pigmentlaag
    • Bevat pigmentkorrels
      • voor lichtabsorptie.
      • Kunnen zich verplaatsen.
        • Bij veel licht tussen de zintuigcellen.
          • Bescherming van de zintuigcellen.
      • Ontbreken vaak bij nachtdieren.
        • Licht wordt teruggekaatst en passeert opnieuw de zintuigcellen.
  • Zintuiglaag
    • Lichtsensoren
      • Staafjes en kegeltjes
        • Zetten lichtenergie om in impulsen.
        • Impulsen worden overgedragen op zenuwcellen.
        • Uitlopers lopen over het netvlies
          • Komen op één punt samen --> zenuwbundel = oogzenuw
          • Verlaten bij blinde vlek het oog.

Staafjes en kegeltjes

  • Staafjes
    • Gevoelig voor alle golflengtes van zichtbare licht.
      • Geen kleuren mee waarnemen, alleen lichtcontrasten.
        • Door de hersenen in verschillende tinten grijs "vertaald".
    • Lagere drempelwaarde dan kegeltjes.
      • Van belang voor zien in schemering.
      • Werken overdag niet.
        • Beschermd door de pigmentkorrels.
    • Gezichtsscherpte is kleiner dan bij kegeltjes.
      • Meerdere staafjes zijn op één zenuwcel aangesloten.
    • Vooral aan de randen van het netvlies grote dichtheid van staafjes
      • Niet in de gele vlek.
  • Kegeltjes
    • Gevoelig voor licht van bepaalde golflengtes (kleuren).
      • Drie typen kegeltjes:
        voor blauw, rood en groen licht
        .
      • Waarnemen van wit doordat alle drie de typen geprikkeld worden.
    • Hogere drempelwaarde dan staafjesgezichtsscherpte is groter dan bij staafjes
      • Ieder kegeltje is met één zenuwvezel verbonden met het gezichtscentrum in de hersenen.
    • Zitten vooral in gele vlek.
      • Minder aan de zijkanten van het netvlies.

Gele vlek

  • Deel netvlies in verlengde van oogas.
  • Bevat vrijwel alleen kegeltjes.

Blinde vlek

  • Bevat geen zintuigcellen.
  • Zenuwuitlopers verlaten op die plaats het oog
Oog - pupil

Pupilreflex (Ipad)

  • Veel licht --> kleine pupil
    • Kringspier in de iris trekt samen.
  • Weinig licht --> grote pupil
    • Radiale (lengte) spieren in de iris trekken samen.
  • Geregeld via de hersenstam (autonome zenuwstelsel)
Reflexboog
  • Hoeveelheid licht waargenomen door staafje en kegeltjes.
  • Impulsen naar hersenen via sensorische zenuwuitlopers.
  • Schakelcellen verwerken informatie.
  • Impulsen via motorische zenuwuitlopers
    • naar kringspier van iris bij veel licht.
      • Pupil wordt kleiner.
    • naar radiale speiern in de iris bij weinig licht.
      • Pupil wordt groter .
Oog - zien van diepte

Gebruik Binas of Biodata

Zien van diepte

  • Alleen met twee ogen tegelijk.
  • Alleen op kleinere afstand.
    • doordat voorwerpen een kleiner beeld vormen rechteroog maakt iets ander beeld dan linker
    • Hersenen maken er een dieptebeeld van.
    • Op grotere afstand verschillen de beelden van het linker en het rechteroog te weinig.

© scholte/marree 2009