home]

[inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]

 

Samenvatting examenstof biologie (CE)

VWO

Centraal examen (vanaf 2015)

Subdomein B8 - Regulatie van ecosystemen

B8.3 Dynamiek en evenwicht

Eindterm subdomein B8

De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden.

Subdomein B8.3

Je kunt in een context:

  1. beschrijven wat onder een ecosysteem wordt verstaan en welke componenten daarvan deel uitmaken;

  2. uitleggen welke rol concurrentie binnen en tussen populaties speelt bij de dynamiek
    (instandhouding en ontwikkeling) van een ecosysteem;

  3. uitleggen welke rol biotische en abiotische factoren spelen bij de dynamiek binnen een ecosysteem;

  4. beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelfregulatie van ecosystemen kan beïnvloeden. --> zie C.3

Deelconcepten
niche, microklimaat, biodiversiteit, migratie, exoot.

Ecosystemen

Ecosysteem

  • Gebied met een bepaald milieu (abiotische factoren) met alle daarin levende organismen (biotische factoren).
  • Ecosysteem is te herkennen aan min of meer vaste samenstelling van planten en dieren (= levensgemeenschap.
  • Voorbeelden in Nederland:
    • duinen;
    • naaldbos;
    • heideveld;
    • sloot;
    • waddengebied.
  • Voorbeelden in de wereld:
    • toendra;
    • tropisch regenwoud;
    • woestijn.

Nis (niche)

  • De rol die een soort in een ecosysteem heeft.
    • Wordt bepaald door het geheel van milieufactoren (abiotische en biotische factoren) waaraan een organisme is aangepast.
    • Bijvoorbeeld:
      • beschikbaarheid van voedsel;
      • aanwezigheid van concurrenten;
      • tolerantie voor abiotische factoren;
  • Twee diersoorten kunnen niet twee precies dezelfde nissen in een ecosysteem invullen.
  • Hoe soortenrijker het ecosysteem, des te gespecialiseerder is de nis.

Habitat

  • Plaats waar een organisme kan overleven, groeien en zich voortplanten.
    • Het leefgebied van een organisme.
      Bijvoorbeeld:
      • Pissebedden leven op vochtige plaatsen.
      • Wormen leven onder de grond.
      • Rupsen van koolwitjes leven in koolplanten.
  • Zowel abiotische als biotische factoren voldoen aan specifieke eisen van het organisme.

Levensgemeenschap

  • Alle organismen samen in een ecosysteem vormen een levensgemeenschap.
  • Levensgemeenschap bestaat uit verschillende populaties van soorten planten, dieren, schimmels en bacteriën.
    • Populatie: groep individuen van één soort die zich onderling kunnen voortplanten.
  • Iedere soort heeft:
    • een specifieke functie (ecologische nis) in het ecosysteem.
    • een bepaalde leefplek (habitat) in het ecosysteem.
      • De verschillende soorten organismen zijn onderling afhankelijk van elkaar of beïnvloeden elkaar.
        Voorbeelden
        • Ze zijn onderling afhankelijk zijn voor de voortplanting.
          Insectenbloemen zijn van insecten afhankelijk voor de bestuiving.
          Koekoek laat andere vogels hun jongen grootbrengen.
        • Ze hebben een territorium nodig.
        • Ze eten of worden gegeten.
  • De organismen in de levensgemeenschap vormen een voedselweb.
    • Voedselweb bestaat uit alle voedselketens in een gebied.
      • Voedselweb bestaat uit:
        voedselketens
        (Ipad)

        plant (producent) --> planteneter (consument 1e orde) --> vleeseter (consument 2e orde)
Abiotische factoren

Abiotische factoren

  • Alle invloeden uit de niet-levende natuur.

    Voorbeelden van abiotische factoren
    • Licht
      • Energie voor de fotosynthese.
    • Temperatuur
      • Invloed op eiwitten (enzymwerking.)
    • Lucht
      • CO2-gehalte (voor de fotosynthese).
      • O2 (voor dissimilatie).
      • Ozon
        • Houdt schadelijke UV-straling tegen.
      • Wind
        • Verspreiding van stuifmeel (windbloemen).
        • Invloed op de verdamping.
      • Vochtigheid
    • Water
    • Bodem
      • Grondsoort (klei, zand e.d.)
      • Humus
      • Zuurgraad
      • Vochtigheid
      • Beschikbaarheid van mineralen

  • De abiotische factoren zijn er de oorzaak van dat een soort al of niet in een bepaald gebied voorkomt.
  • Binnen een ecosysteem kunnen abiotische factoren sterk verschillen.
    Vooral door:
    • aanwezigheid of afwezigheid van plantengroei (= biotische factor).
    • Elke plek heeft zijn eigen microklimaat.
      • Klimaat op de plaats van het organisme).
Biotische factoren

Biotische factoren

  • Alle levende wezens.
    • Planten
      • Maken het voedsel (fotosynthese) en dienen dus als voedsel voor dieren.
      • Bieden schuilplaatsen en broedplaatsen voor dieren.
      • Hebben invloed op het microklimaat.
        • Temperen bijvoorbeeld klimaatfactoren.
          • Onbegroeid gebied heeft grotere temperatuurschommelingen dan begroeid gebied.
    • Dieren
      • Planteneters leven van planten en hebben dus invloed op de vegetatie.
      • Vleeseters eten andere dieren.
    • Schimmels en bacteriën
      • Zorgen voor de afbraak van de dode organische resten.
        of
      • Veroorzaken ziektes.
        of
      • Leven in symbiose met planten.

Biodiversiteit (soortenrijkdom)

  • Wordt bepaald door het aantal soorten in een bepaald gebied.
  • Wordt groter als:
    • de dynamiek in een ecosysteem afneemt (minder sterke schommelingen van de abiotische factoren).
    • de abiotische omstandigheden minder extreem zijn.
      • Meer soorten organismen kunnen zich dan handhaven.
  • Grotere diversiteit --> grotere capaciteit om verstoringen op te vangen --> stabieler ecosysteem.
Populaties

Populatie

  • Alle individuen van een bepaalde soort in één gebied.
  • Kunnen zich onderling voortplanten.

Populatiegrootte (= totaal aantal individuen van een populatie)

  • Wordt weergegeven met de term populatiedichtheid.
    • Aantal individuen per oppervlakte-eenheid.
  • Hangt af van:
    • emigratie.
      • Aantal dieren dat definitief vertrekt naar een ander gebied
    • immigratie.
      • Aantal dieren dat zich nieuw vestigt in het gebied.
    • geboortecijfer.
      • Aantal dieren dat per tijdseenheid (bijvoorbeeld per jaar) wordt geboren.
    • sterftecijfer.
      • Aantal dieren dat per tijdseenheid (bijvoorbeeld per jaar) dood gaat.
  • Wordt beïnvloed door:
    • abiotische omstandigheden.
      Bijvoorbeeld:
      • droogte, storm, overstroming.
    • biotische factoren.
      • Aanwezigheid van meer of minder natuurlijke vijanden.
      • Ziekten veroorzaakt door bacteriën en virusssen.
      • Hoeveelheid beschikbaar voedsel.
  • Bij te kleine populatie:
    • grote kans op inteelt.
    • te kleine populatie --> gevaar voor uitsterven.
      • Voor instand houden van populatie:
        • voldoende erfelijke variatie nodig (verscheidenheid).
          Er zijn erfelijke verschillen tussen de individuen --> bij verandering milieu voldoende organismen met geschikte eigenschappen aanwezig.


  • Populatiegroei
    • Bij onbeperkte hulpbronnen (overschot voedsel):
      • populatie groeit exponentieel (J-vormige groeicurve).
    • Bij beperkte hulpbronnen:
      • evenwicht wordt bereikt --> stabiele populatie (S-vormige groeicurve).
  • Populatie kan instorten door:
    • snelle toename aantal vijanden;
    • ernstig voedselgebrek (na aanvankelijke snelle groei).

bioplek terug

© 2017 scholte/marree-bioplek.org