[home][inhoud site][Inhoud bovenbouw][practicum][links]




Metabolisme

examenprogramma VWO

Domein D

Eiwitsynthese en biotechnologie

Subdomein D5

centraal examen

Je kunt uitleggen hoe onder andere DNA en RNA betrokken zijn bij de eiwitsynthese en heeft inzicht in de werking van enzymen en factoren die enzymwerking beïnvloeden.

Benodigde voorkennis uit subdomein B2: celorganellen en hun functies.

Weten en kunnen

Je kunt:

  1. aangeven welke functies eiwitten hebben in en buiten de cellen van het organisme:
    • enzymen;
    • structuureiwitten;
    • transporteiwitten;
    • receptoreiwitten;
    • plasma-eiwitten;
    • antistoffen.

  2. aangeven dat DNA en RNA nucleïnezuren zijn: polyesters van fosforzuur en (deoxy)ribose plus nucleïnebasen.

  3. een gegeven afbeelding van de molecuulstructuur van DNA en RNA interpreteren:
    • helixstructuur;
    • DNA: nucleotiden bestaande uit desoxyribose, fosfaat en de nucleïnebasen: adenine (A), guanine (G),
      cytosine (C), thymine (T);
    • basenparing;
    • RNA: nucleotiden met ribose in plaats van desoxyribose en uracil (U) in plaats van thymine (T).

  4. de eiwitsynthese en de rol van DNA (introns, exons), mRNA, tRNA, ribosomen, endoplasmatische reticulum en golgi-systeem daarbij beschrijven, waarbij gebruik kan worden gemaakt van een schema van deze synthese:
    • replicatie;
    • transcriptie;
    • translatie;
    • splicing;
    • fasen van de celcyclus waarin bovenstaande processen plaatsvinden;
    • uitleggen wat DNA-mutatie is en toelichten waardoor mutatie veroorzaakt wordt.

  5. uitleggen dat celspecialisatie ontstaat doordat bepaalde genen worden in- of uitgeschakeld.

  6. aangeven dat zich in verschillende compartimenten van de cel specifieke enzymen bevinden die bepaalde stofwisselingsprocessen mogelijk maken, in het bijzonder:
    • in de kern enzymen voor (re)productie en reparatie van DNA en RNA;
    • in de ribosomen, vrij in het cytoplasma en gebonden aan het endoplasmatisch reticulum, enzymen voor koppeling van aminozuurmoleculen;
    • in het endoplasmatisch reticulum en het golgi-systeem enzymen voor de bewerking van eiwitten.

  7. aangeven dat bij eiwitten en nucleïnezuren gesproken kan worden van een primaire, secundaire, tertiaire en soms quarternaire molecuulstructuur, en de betekenis aangeven van deze molecuulstructuren.

  8. aangeven dat pH en temperatuur invloed hebben op de molecuulstructuur van eiwitten en nucleïnezuren.

  9. beschrijven wat enzymen zijn:
    veel werkzame enzymen bestaan uit een eiwit en vitamine of co-enzym.

  10. uitleggen dat met een beperkt aantal verschillende aminozuren een groot aantal verschillende eiwitten kan ontstaan.

  11. de betekenis aangeven van het feit dat enzymen op diverse plaatsen in onwerkzame vorm door cellen worden afgegeven en pas werkzaam worden als er een andere component of stof bij komt,
    in het bijzonder:
    verterings- en stollingsenzymen.

  12. voorwaarden noemen waaronder een enzym een chemische reactie met een substraat katalyseert:
    • substraatspecifiek;
    • reactiespecifiek;
    • activiteit is afhankelijk van temperatuur en pH (optimumkrommen).

  13. aangeven waarop de werking van enzymen berust:
    • binding van het enzym met substraat, activator en/of remmer (inhibitor);
    • verandering van ruimtelijke structuur van de enzymmoleculen;
    • verandering van de activiteit;
    • bepaalde geneesmiddelen of gifstoffen werken ook als activators of remmers.

Informatie op bioplek

Overzicht termen en begrippen

Theorie

Chromosomen
Moleculaire erfelijkheid
Introns en exons
Ribosoom

Genregulatie
Enzymwerking

Puntmutaties
Oefenen genetische code

Aanvullende informatie

Gelelectroforese
PCR (polymerase chain reaction)
Het bepalen van de basenvolgorde (DNA sequencen)

Praktische opdrachten
Practicum enzymwerking