[home][inhoud][inhoud bovenbouw][inhoud practicum][links]  


©scholte/marree2000

Pobleemkaarten Osmose

 

1 Plasmolyse


Wat gebeurt er met plantencellen die in een oplossing met een hogere osmotische waarde dan het vacuolevocht worden gebracht?

Voor dit experiment kan je cellen van de rode ui, cellen van waterpest en cellen van een mosplantje gebruiken.
Het mooiste zijn de resultaten met de cellen van de rode ui.

Gebruik een oplossing van 10% KNO3 (=kaliumnitraat)
Maak voordat je begint een hypothese!

Techniek - microscoop 11.2 (kleuren preparaat)
Techniek - microscoop 11.3 (overzichtstekening en detailtekening)

 


2 Grensplasmolyse bij aardappelstaafjes


Bij welke concentratie glucose begint de plasmolyse in de cellen van de aardappel?

Gebruik aardappelstaafjes. (techniek 4.2)

Let erop dat de staafjes precies even dik en lang zijn.

Bedenk eerst wat er met de staafjes gebeurt als de turgor afneemt en hoe je met deze techniek de grensplasmolyse kan aantonen. Meet ook de lengte van de staafjes. Denk eraan dat je meerdere metingen moet doen in verband met vrij grote meetfouten die optreden bij het gebruik van deze methode.

Maak een reeks oplossingen tussen 0 en 10% glucose.

Voor meten van turgor in aardappelstaafjes techniek 4.2
Voor het maken van een verdunningsreeks techniek 12.1

 

 


3 Temperatuur en celmembraan


Bij welke temperatuur gaan de celmembranen van een rode kool kapot?

In de vacuolen van de cellen van een rode kool zit een rode kelurstof opgelost.

Door verhitting gaan de celmembranen kapot.

Snijd evengrote stukjes van een rode kool en doe die in reageerbuizen met 4 ml warm water. Ook de tijd waarin de cel(membraan) in water van een bepaalde temperatuur ligt kan belangrijk zijn. Meet de vrij komende kleurstof met de colorimeter. Gebruik als blanco water

techniek 10.1 gebruik colorimeter

 

 


4 Turgor van plantencellen


 

Wat is het verband tussen de lengte van een plantencel en de osmotische waarde van de vloeistof waarin de cel zich bevindt?

Gebruik cellen van waterpest .
Er is een 10% KNO3 oplossing beschikbaar.
Vergelijk in ieder geval de lengte van de cel in water en in 10% KNO3
Meet de cel met een geijkte oculairmicrometer.

voor gebruik oculairmicrometer techniek 11.4

 

 


5 Kloppende vacuolen


Wat is de invloed van een het verhogen van de osmotische waarde op de werking van de kloppende vacuole van een eencellig zoetwaterdiertje?

Veel trilhaardiertjes en amoeben hebben een kloppende vacuole. Deze vacuole pompt overtollig water de cel uit.

Probeer op waterplanten uit het aquarium klokdiertjes te vinden. Deze zitten op steeltjes en kunnen dus niet weg zwemmen. Verhoog de osmotische waarde van het water door onder het dekglas een 1% keukenzout oplossing te zuigen.

Dit is een lastig experiment dat goed uit te voeren is met klokdiertjes of zonnediertjes als ze aanwezig zijn.

 


6 Vergelijken van de osmotische waarden


Welke suikeroplossing (1% glucose of 1% sacharose) heeft de hoogste osmotische waarde?

Zoek de formules van de gebruikte suikers op in Binas om een goede hypothese te kunnen maken.

Gebruik techniek 4.1,
of techniek 4.3
of techniek 4.4

Lekkende membranen zijn het grootste probleem

 

 


7 Doorlaatbaarheid dialyseslang


 

Kunnen glucose, zetmeel, HCl en Jodium door een dialysemembraan?

Dialysemembraan wordt gebruikt voor kunstnieren. Met deze slang kan nagegaan worden of bovengenoemde stoffen door de membraan kunnen.

De stoffen kunnen opgelost in water in de dialysemembraan gedaan worden. Met behulp van indicatoren kan aangetoond worden of de stoffen na enige tijd (hoe lang?) al dan niet door het membraan gegaan zijn.

Probeer in Binas gegevens over de afmetingen van de gebuikte moleculen te vinden.

techniek 4.4
aantoonreacties techniek 5.1
Voor glucose indicatorsticks, voorzetmeel jodium, voor jodium zetmeel voor HCl pH-papier

 

 

 


8 Huidmondjes


 

Wat is de invloed van de turgor op het openen en sluiten van huidmondjes?

Huidmondjes bestaan uit twee sluitcellen die door vormverandering een tussen die cellen liggend gaatje kunnen openen of sluiten.

Leg de huidmondjes in 10% KNO3 en in water. Vergelijk en teken wat je ziet.

Zie techniek 1.5 voor het onderzoeken van huidmondjes.

 

 

 

©scholte/marree2000