[home][inhoud][inhoud bovenbouw][inhoud practicum][links][copyright]
De
alvleesklier (=pancreas) maakt alvleessap
(=pancreatine). Daarin zitten verschillende
spijsverteringsenzymen: 1. amylase, 2.
peptidase, 3. lipase. De
vetafbraak door lipase kan worden aangetoond aan
de hand van de vrij komende vetzuren. Deze
methode is dus niet geschikt om de invloed van
de pH op de werking van lipase te meten, omdat
de pH door de werking van het enzym verandert.
(lager wordt.) Vet
lost niet op in water. Enzymen lossen wel op in
water. Om lipase te laten inwerken op vet moet
het vet in kleine druppeltjes verdeeld worden
die gemengd worden met water waarin de lipase
zit. Zo'n mengsel van druppeltjes vet in water
noemt men een emulsie. Melk is een emulsie van
vet. Fenolftaleïne
is een zuur-base indicator. In een basische
omgeving is deze stof paars, in een zure
omgeving kleurloos.
Werking van lipase
Hoe meer vet afgebroken hoe zuurder de oplossing
wordt.
(Leerlingen die deze proef uitvoerden schreven
dat 1,5% NaCO3 beter ging. (verslag
Eveline Huisjes en Raymon Verhoeven 1998)