[home][inhoud][inhoud bovenbouw][inhoud practicum][links][copyright]
knikkende
vossenstaart Materiaal meetraam (50 cm
x 50 cm) Methode
Verschillen
in het voorkomen van bepaalde soorten planten is
een aanwijzing dat er verschillen zijn in
bepaalde abiotische en biotische factoren. Om
grotere zekerheid te verkrijgen, moet je de
gegevens statistisch verwerken. Daarvoor is het
nodig dat je per gebied een groot aantal
steekproeven neemt. Hoe groter het aantal
steekproeven, hoe zekerder de conclusie
wordt.
Welke planten in het onderzoek netrokken worden,
hangt af van op welke grondsoorten de
onderzochte graslanden liggen. Het is nodig om
het gebied eerst globaal te bekijken en te
bepalen welke plantensoorten er voorkomen .
Voor onderzoek in het rivierengebied
(komgronden) kunnen onderstaande plantensoorten
gebruikt worden.
koekoeksbloem
kruipende boterbloem
scherpe boterbloem
gewone vossenstaart
knoopkruid
zomprus
rode klaver
reukgras
akkerdistel
madeliefje
moerasvergeet-me-nietje of
zompvergeet-me-nietje
paardebloem
grote ratelaar
tweerijige zegge
margriet
veldzuring
veenwortel
2 zelf gekozen planten
plastic zakjes en etiketjes
ruitjespapier
potlood
Noteer welke soorten van de lijst in dit
proefvlak aanwezig (+) of afwezig (-) zijn. Let
ook goed op exemplaren die nog niet in bloei
zijn, je ziet die makkelijk over het
hoofd.
(zie
techniekkaart
8.1)
Uitwerken gegevens
Voorbeeld:
Kruipende boterbloem werd in 62 proefvlakken
aangetroffen, 38 maal op terrein 1 en
24 maal op terrein 2. Als de nulhypothese klopt
en de verspreiding dus volkomen volgens het
toeval zou zijn, zouden er op beide terreinen
evenveel (62/2 = 31) aangetroffen zijn. Met de
X2-toets wordt bepaald of de
afwijking van 7 nog aan het toeval toe te
schrijven is. Wanneer de kans op toeval (p)
kleiner is dan 0,05, heb je voor 95% zekerheid
dat de gevonden verschillen bij deze soort niet
veroorzaakt zijn door toeval.
Zie verder techniekkaart
X2-toets.