[home][inhoud][inhoud bovenbouw][inhoud practicum][links][copyright]
©gamscholte 1999
Maken van grafieken 1Onderdelen
van een goede grafiek:

B. Gebruikte eenheden. bijv.
ml.
C. Streepjes waarmee je aangeeft waar
de getallen komen.
D. Waarden weergegeven door
getallen. bijv. 2,4,6,8,10,12
Je verandert of regelt deze variabel
tijdens het onderzoek. Deze variabele
veroorzaakt iets.
Vaak is het ook de tijd, als je gedurende
een bepaalde tijd iets meet.
Deze reageert op de veranderingen van de
onafhankelijke variabele. Hij toont het
resultaat van je experiment.
Gebruik een juiste schaal bijvoorbeeld 1,
5, 10 eenheden per centimeter.
Gebruik voor de hele as dezelfde
schaal.
Gebruik logaritmischpapier als je
verdunningsreeksen maakt.
De schaal kan voor de x- en y-as anders
zijn.
Als de punten een in een curve lijken te
liggen teken dan uit de vrije hand een zo
mooi mogelijke curve.
Als de punten NIET in 1 lijn liggen
probeer dan de lijn zo te trekken dat er
evenveel punten aan beide zijden van de
lijn komen.
Verbind
nooit de punten met elkaar tenzij dat
opgedragen
is.
Laat je lijn alleen door het 0,0 punt (=de
oorsprong) gaan als dat logisch is.
Interpolatie maakt het mogelijk
data tussen twee meetpunten te
berekenen.
Extrapolatie maakt het mogelijk
data buiten het meetbereik te voorspellen
.
Extrapolatie is slechts een voorspelling.
Het geëxtrapoleerde deel wordt in
de grafiek gestippeld!!

