[home][inhoud][inhoud bovenbouw][inhoud practicum][links][copyright 

 

Veldwerk

Techniek 8.10.2

 

 

Micro-evolutie   

Natuurlijke selectie bij de huisjeslak Cepaea nemoralis

Analyse en verwerking van de gegevens

Uitwerken van de gegevens

Werk de gegevens per populatie uit.

  1. Grootte van de huisjes
    Maak een grafiek waarin je het aantal huisjes van een bepaalde grootte (Y-as) uitzet tegen de grootte van het huisje (X-as).
    Maak hierbij grootte-klassen.

  2. Relatie tussen kleur en aanwezigheid van bandjes

    Maak een tabel met het aantal slakken met een bepaald kleur en geef aan hoeveel slakken van een bepaalde kleur wel bandjes en hoeveel geen bandjes hadden.

    Voorbeeld:

    Kleur
    aantal slakken met bandjes
    aantal slakken zonder bandjes
    Bruin

    .

    ..

    Geel

    ..

    .

    Roze

    .

    .


  3. Relatie tussen kleur en aanwezigheid van bandfusie(s)

    Maak een tabel met het aantal slakken met een bepaald kleur en geef aan hoeveel slakken van een bepaalde kleur wel bandfusie en hoeveel geen bandfusie hadden.

    Voorbeeld

    Kleur
    aantal slakken met bandfusie
    aantal slakken zonder bandfusie
    Bruin

    .

    .

    Geel

    .

    .

    Roze

    .

    .


  4. Relatie tussen leeftijd en de kleur en de aanwezigheid van bandjes

    Gebruik hiervoor alleen levende slakken!

    Maak een tabel met het aantal jonge en volwassen dieren van een bepaalde kleur en het aantal jonge en volwassenen dieren met en zonder bandjes.

    Als een huisje de twee bovenste bandjes mist, lijken ze van bovenafgezien ongestreept. Dat wordt effectief-zonder-bandjes genoemd. Deze huisjes zijn namelijk voor een predator niet van huisjes zonder bandjes te onderscheiden.
    Dit geldt dus voor de typen: 00234, 00300,00000

    Voorbeeld

    Kleur en bandpatroon
    aantal jonge slakken
    aantal volwassen slakken
    Bruin

    .

    .

    Geel

    .

    .

    Roze

    .

    .

    effectief-zonder-bandjes

    .

    .

    met bandjes

    .

    .


  5. Relatie tussen kleur en het hebben van bandjes en de predatie

    Maak een tabel met het aantal levende, dode en opgegeten dieren per kleur en het wel of niet hebben van bandjes.

    Voorbeeld

    Kleur en bandpatroon
    aantal levende slakken
    aantal dode slakken
    aantal opgegeten slakken
    Bruin

    .

    .

    .

    Geel

    .

    .

    .

    Roze

    .

    .

    .

    zonder bandjes

    .

    .

    .

    met bandjes

    .

    .

    .


  6. Berekenen van de genfrequenties

    In de populatie kan alleen van individuen met het recessieve fenotype ("a") met zekerheid vastgesteld worden wat het genotype is, namelijk aa.
    Die fenotypes moeten daarom gebruikt worden om de genfrequenties te bepalen.
    De frequentie waarmee allel A voorkomt geven we de letter p. De frequentie waarmee allel a voorkomt noemen we q.

    Tel hoeveel individuen met het recessieve fenotypen je gevonden hebt. Bereken het percentage in de populatie.
    Die individuen hebben 2 allelen a. Het percentage recessieve individuen is daardoor het kwadraat van de genfrequentie = q2.
    Als je de genfrequentie q van het recessieve allel berekend hebt, valt daar eenvoudig de genfrequentie voor p (het dominante allel) uit af te leiden, namelijk 1 - q = p.

    Rekenvoorbeeld (zie ook
    populatie genetica)

    45% van een populatie heeft genotype aa (fenotype 'a')
    q2 = 0.45
    q = 0.67
    p =1- q =1- 0.67 = 0.33

    Zie voor de manier waarop de kleur en het bandenpatroon overerft.
    Informatie over Cepaea nemoralis.

    Omdat bij de bepaling van de kleur van het huisje 3 verschillende allelen van een gen een rol kunnen spelen, is de berekening van de genfrequenties hier veel ingewikkelder.

    Nog lastiger ligt het bij het bandenpatroon, omdat hier meerdere genen bij betrokken zijn.
    Eigenlijk kunnen alleen de frequenties van het B-gen volgens bovenstaand voorbeeld berekend worden.
    Door het percentage van alle gestreepte huisjes (00300, 00345 en 12345 te bepalen, kunnen de genfrequentie van BB en B0
    afgeleid worden.

    Interpretatie van de gegevens

    Afhankelijk van de onderzoeksvraag kun je de volgende zaken kunnen bekijken:

  • Hoe is de leeftijdsopbouw van de verschillende populaties?
    • Hoeveel grootte-klassen zijn er?
    • Zitten alle volwassen dieren in één grootte-klasse?
    • In hoeveel grootte-klassen worden de onvolwassen dieren verdeeld?

  • Is bewijs gevonden voor visuele selectie door predatoren?
    Kijk naar :
    • verschillen tussen percentage kleur en gestreeptheid bij jonge en volwassen dieren in de verschillende habitats.
    • verschillen tussen percentages kleur en gestreeptheid bij dode en opgegeten dieren en bij levende dieren in de verschillende habitats.
    • een mogelijk verband tussen tussen kleur respectievelijk gestreeptheid en het habitat.

  • Heb je bewijs gevonden voor genetische koppeling?

    Zie je in je resultaten verband tussen het voorkomen van kleur en gestreeptheid? En tussen kleur en bandfusie?


    Verklaringen

    Probeer een verklaring te vinden voor verschillen die je gevonden hebt.
    • Waardoor zouden eventuele verschillen tussen jonge en volwassen dieren veroorzaakt kunnen zijn?
    • Hoe zit het met de camouflage in de verschillende habitats? Welke habitat is donker en minder gestreept, welke geel/groen en gestreept?

     

    Terug naar techniekkaart 8.10.1

    © scholte/marree 2002